Tessels verhaal – 4 – Na de lagere school

Het werd weer zomervakantie, en wat gingen we doen? Ik werd twaalf en we gingen naar Mierlo-Hout, dat vlak bij Helmond ligt. Voor de oorlog hadden mijn grootouders daar Dennenlust gebouwd. Na de oorlog, toen de woningnood zo groot was, werd dat huis gevorderd; het moest verhuurd worden.

Grootvader

Maar mijn grootvader was vindingrijk; mijn moeder had het niet van vreemden; mijn grootvader had elders in het bos een achthoekige studio gebouwd met kerkramen die uit een slooppand kwamen. Daarna kocht hij twee oude autobussen en die koppelde hij aan het atelier zoals de achthoekige ruimte werd genoemd. In de ene bus werd een keuken gemaakt, de andere werd voorzien van stapelbedden. Daar sliepen we. Naast het atelier was een echte put voor het water, en er moest altijd op gelet worden dat de deksel erop ging, want kinderen klommen graag op de putrand en verdronken dan in het water. Moeder had er een vriendin: mevrouw Kam, een artistiek type met een knot en volkskundige blouses als jullie begrijpen wat ik bedoel.
Mevrouw Kam had een heel lange zoon Peter, een student in Delft, waar ik stapelverliefd op werd. Ik denk dat hij het glimlachend liet betijen. In het dennenbos bouwden we wel hutten, een in een kuil met plaggen erop, en toen we daarin een vuurtje stookte, stikten we ongeveer. Verder is een dennenbos vrij saai en helemaal niet zo sprookjesachtig of romantisch zoals ik me had voorgesteld.

Goed, in die bosvakantie begon ik te lezen in De Zingende Vink,  van grootvader, over zijn jeugd en over vijftig jaar politiek leven in Helmond. Ik weet het nog, ik stond buiten met dat boekje in mijn hand, Peter Stam stond een eindje verderop, ik las en was geboeid. Want dat is een swingend boekje dat heel mooi begint met de beschrijving van een kwakzalver:

‘Tusschen 1895 en 1900, of misschien was het toen al aan de gang. Ge moet weten dat ik Sequah al gezien had. En Sequah is de schuld van alles, met zijn gitzwarte haren en zijn flapperende flambert. Die gouden koets, bespannen met vier paarden, voorafgegaan door hoornblazers, en gevolgd door een orkest, die Sequah met zijn vurige ogen en starre trekken, die zoo maar de mensen genas van kromme beenen en lamme leden, net zoolang tot hij hem zijn krukken weg liet gooien en rechtop liet loopen voor ons aller oog. De schetterende muziek, die dreunende roffel, die het gehuil en gejank der ‘’ slachtoffers in de genezing’’ moest overstemmen. Ze wordt weer levend in mijn oor. De Sequah heeft een indruk op mij gemaakt, dien ik nooit meer kwijt ben geraakt. Wat mij het meest betroffen blijkt te hebben, dat is wel dat hij alles in het openbaar deed, zoo maar in een breeden kring van toeschouwers, zonder voorbereiding of aarzeling, zonder eenige gewichtigdoenerij of geheimzinnigheid, alles uit eigen kracht. Spontaan vanzelfsprekend, vrij en ongedwongen. En als het klaar was, stak hij zijn handen vooruit, lachte glim en riep iets, dat ik niet verstond, maar dat wel ‘voila’ geweest zal zijn. Een paar maandenlang zongen wij nog onze straatdeun:

Heb je pijn in armen of beenen,
Jicht of rheumatiek,
Dan ja je naar Sequah henen
Die geneest je met muziek,

Maar dan stierf het uit. De herinnering vervaagde. Ik heb er nooit meer aan gedacht. Driek zocht zijn krukken weer op. (…) Lang ben ik alles alweer vergeten, maar mijn onderbewustzijn heeft zich Iets vastgezet, dat ik nooit meer kwijt ben geraakt: de bewondering voor die kracht, voor de zekerheid, die vrijmoedigheid, die beheersching van alles en allen om hem heen; die gelding van die persoonlijkheid, die hebben in mij gewekt, de ontembare drang tot optreden in het openbaar, tot spreken en handelen.’

Dat was dus een (gewenst) zelfportret van heb ik jou daar. En hij heeft het tot misnoegen van velen waargemaakt, meer dan zelfs zijn eigen dochter en schoonzoon lief was. Hij werd in de late jaren dertig lid van het fascistische, antisemitische Zwart Front om (ook) daar politiek te bedrijven, daar moesten onze ouders niets van hebben.

Het was niet dat zelfbewustzijn dat me aansprak, het was de stijl. Je ziet die kwakzalver voor je, met veel bombarie, op de markt. Maar het meest trof me de zin van de volgende passage:

’Wat was het leven toen sjofel en grauw. Mijn God, wat waren de menschen arm. Ge hadt de deining moeten beleven, die ontstond toen de prijs van het baardscheren van 2 ½ cent op 3 cent werd gebracht. De godsdienst en de humor hebben ze er bovenop gehouden, anders was met het lichaam ook de ziel vergaan…(..) Wij woonden in de Heistraat en ik kan nu nog de gezinnen opnoemen waar de kinderen wat boter en een toespijs op hun boterham kregen. De rest at droog brood en naakte aardappelen.’

Zo te kunnen schrijven, dat wilde ik. En nu pas zie ik dat hij schreef: hij lachte glim. Grapje.

Hildegard

En zo werd het 1952. Ik deed de zesde klas bij zuster Romualda, lang, bleek, saai. Ik dacht: straks ga ik naar de middelbare school. Maar dat pakte ietsje anders uit. Het schooljaar liep ten einde. Hoe nu verder? Vader en moeder hadden veel problemen met de kinderen. Vader was nu acht en vijftig; Geert en Joost hadden het gymnasium goed gedaan, maar Joost studeerde niet vlot; hij zou er dertien jaar over doen. Annemie was van school gehaald toen Maria werd geboren. Hildegard had de MMS met succes afgemaakt, Thomas was naar de zilversmedenschool in Schoonhoven gestuurd, want op het gymnasiums redde hij het niet, en hij haatte het op die school. Er was hem aangepraat dat hij kunstenaar ging worden. Maar de medeleerlingen in Schoonhoven waren zonen van juweliers en vonden hem een rare kwast. Hij werd gepest en vertelde me later dat hij iedere avond op zijn knieën bad: God, leer me hoe ik vriendjes moet maken Het heeft niet mogen zijn.

Keet schoppen

Liesbeth zat op de MMS en had twee vijven op haar rapport, dus was ze een probleem, dat mijn ouders oplosten door ons beide naar de Clara Fey Mulo te sturen die naast de lagere school lag. Daar kregen we les en na school was er de verplichte huiswerkklas, maar daar waren Liesbeth en ik snel klaar. Ik voelde me knap belazerd dat ik naar die Mulo moest; ik had op de middelbare school gerekend. Het enige leuke aan die school was een juffrouw waar ik enorm op gesteld was: ik ging ’s morgens heel vroeg naar school zodat ik haar fiets mocht aannemen en naar het fietsenhok brengen. Ik vertelde haar ook in februari 1953 wat ik ’s morgens in de Volkskrant had gelezen over Watersnoodramp in Zeeland en Zuid-Holland. 1800 mensen verdronken en de krantenreportages waren gruwelijk. De ramp, zo heette de Watersnood, maakte een diepe indruk op mij; we leefden toch in de best geregelde maatschappij ter wereld, met de veiligste mijnen en de laagste kindersterfte? Dat leerden we op school. Ons brave kikkerlandje, en dan dit!

Liesbeth en ik verveelden ons rot op de Mulo – er was na school een verplichte huiswerkklas. Na korte tijd kwam het hoofd van de Mulo aan vader vragen of hij ons weg wilde halen; we schopten te veel keet. Hoe kwamen mijn ouders nu toch op het zotte idee ons naar die Mulo te sturen? Volgens mij waren ze teleurgesteld: opvoeden was veel moeilijker dan ze dachten. Vader, zei Annemie later, begon aan depressies te lijden. Vooral de jongens gaven problemen. Thomas liep niet over van sympathie voor vader die zo aan de grond zat dat hij geen tweedehandsauto meer kon kopen. Hij kocht een dure Raleigh fiets, waar niemand aan mocht komen. Thomas nam hem mee, en liet hem ergens achter zonder slot. Gestolen! Vader was zichtbaar onthutst en o, wat had ik met hem te doen.
Richard was slim, maar liep sociaal wat achter, Leo leerde niet graag; hij zou dan ook naar de Handelsmulo gaan. En dan meisjes, tsja, wat moest je ermee. Vader had tegen de kapelaan, met wie hij schaakte, gezegd: die daar (dat was ik) is intelligent, die moet klassieken studeren. Maar aan de andere kant: meisjes gingen trouwen en kinderen krijgen, dus het deed er niet zo toe.
Wat me als tiener trof: Hildegard werkte met toewijding bij boekhandel Coebergh in Haarlem die slecht betaalde: ze wist ook veel van boeken. Toen bleek dat er een tekort aan onderwijzers was – er kwam een spoedopleiding en iedere student kreeg 100 gulden toe per maand. Mijn ouders vonden dat Hildegard die opleiding moest volgen en dus gebeurde dat. Die 100 gulden konden mijn ouders prima gebruiken. Vader had 1200 patiënten, bijna allemaal ziekenfonds, de goedkope gesubsidieerde verzekering voor de laagbetaalde werknemer. Het fonds betaalde een gulden of vier, vijf per patiënt per jaar. Kun je nagaan wat 100 gulden per maand betekende. Maar vader zou geen zoon naar die opleiding hebben gestuurd.

Het vervelende was dat dat denkbeeld de sfeer in huis mee bepaalde: de broers zeiden zelfs dat het enige dat van een vrouw werd verlangd was dat ze goed koffie kon zetten. De jongens deden wel technische dingen: een lamp indraaien of banden plakken. Een ketting omleggen op de fiets konden ze misschien, maar erom vragen deed je niet, dan zei moeder: daar heb ik nu geen tijd voor, en de fietsenmaker kostte geld, dus je rommelde zelf wat aan. De jongens moesten ook schoenen poetsen, en verder bouwden ze op zolder een motortje en boorden gaatjes in de houten zolderwand om stroom te tappen. Dat vond moeder best – in veel dingen was ze heel makkelijk, we mochten hutten bouwen in de kamer. Ik draaide als kind de werkkraan op de tweede verdieping open om te kijken hoe het water de trap af zou stromen, en kreeg geen straf. Maar veel zekerheid bood ze niet; ze kon zomaar de pik op een van de kinderen hebben en dan was je de pisang en ze hield veel meer van de jongens dan van de meisjes. Maar als er en donderbui naakte, nam ik snel de benen. Dat hielp aardig. Ook tegen helpen in de huishouding.

Er was leerplicht, zelfs voor meisjes, en zo togen Liesbeth en ik dus toch naar Fons Vitae. Ik op een knaroude fiets, met een blauw-grijs gestreept truitje en een zwarte ribfluwelen rok. Ik kwam op het gymnasium, was vrij snel bijgewerkt. Ik wist niet dat je voor ieder vak naar een ander lokaal moest, of dat je voor ieder vak een andere leraar kreeg. Maar je bent jong en veerkrachtig en leert snel.

Het fietsen naar school was lastig – in de winter mochten we een lange broek aan (gemaakt uit een oude broek van vader, een vreselijk ding) en op school moest daar een rok overheen- die had je in je schooltas bij je. In de pauze ging je naar het overblijflokaal waar je een beker smerige thee kreeg – sokkenwater van de rector en de pater.

Reinier

Natuurlijk wil ik ondertussen wel eens weten waar de kinderen vandaan kwamen. Toen Reinier in 1947 werd geboren, begreep ik er niks van. Een jaar later kwam Anton en ik wist nog niets. Pas toen moeder in Denekamp hoogzwanger met een beige cape om (hier is de postbode!) fietste, begreep ik het. Ik had kort ervoor in de keuken op de Linnaeusparkweg al gezien dat moeder een dikke buik had en gevraagd hoe dat kwam. Daar zat dus het kindje in. Hoe dat kindje erin kwam, was nog een raadsel, maar op een dag zat ik aan vaders tafel op de spreekkamer huiswerk te maken, toen mijn oog viel op een boekje dat vader voor jonggehuwden, dan wel verloofden, had geschreven. Daarin stond iets over bijslaap. Toen begon ik een ietsje te begrijpen. Opeens kwam vader binnen, zag me daar met dat boekje in de hand, en zei: ’Zo, lees je dat?’ Zo werden die zaken afgehandeld. Maar ik wist eigenlijk nog niets.
Een jaar later werd ik voor het eerst ongesteld. Ik vertelde het aan grootmoeder waar ik logeerde, en die stuurde me naar de drogist om maandverband te halen – die dingen waren toen nog van badstof. De menstruatie deed veel pijn, en grootmoeder zei: als je het nu de eerste keer flink doorstaat, doet het later nooit meer pijn. Ik kreeg een aspirientje en werd te rusten gelegd op de bank in de achterste van de drie kamers in het villa-achtige huis dat mijn grootouders aan de Eikendreef in Helmond bewoonden, een huis dat van de familie Van Wesselman tot Helmond was geweest. Grootmoeder legde een bontdeken over me heen, en langzaamaan trok de pijn weg. Toen ik thuiskwam in Amsterdam, vertelde ik het aan moeder, en op dat moment kwam vader de kamer binnen en moeder zei: Tessel is nu een groot meisje geworden. Ik werd overvallen door schaamte: wat betekende ‘groot meisje’. Het heeft heel lang geduurd, wel tot na mijn zestiende, voor ik precies begreep hoe je zwanger kon raken.

Het mooie gestreepte truitje en het kekke zwarte rokje waren aangeschaft toen vader lector in de geschiedenis van de geneeskunde werd en zijn inaugurele rede hield. Ik mocht ernaartoe en Leo mocht ook mee, dat laatste na een pleidooi van mijn kant dat vader rood deed aanlopen. ’Deze keer geef ik toe, maar dat is meteen ook de laatste keer dat ik van mening verander,’ zei hij. Ach, Ju en Jop, dat waren nog eens tijden waarin een vader zelden of nooit werd tegengesproken.

Hij had het zo moeilijk. Iedereen vond hem kalm, wijs en beminnelijk. Zijn eigen vader was een mopperkont geweest en die wilde hij niet achterna, maar hoe moest het dan wel? Hij was zeer gesloten; hij heeft nooit met een woord over zijn ouders gerept. Ik heb pas nu gelezen in een brief die op een verre reis aan zijn moeder: u weet toch hoeveel ik van u houd.  Hij was wat afstandelijk, maar nooit onaardig, in ieder geval niet tegen mij. Merkwaardig genoeg werd hij ook niet razend als de broers tangen van hem leenden omdat ze aan het knutselen waren met elektriciteit, op zolder. Die tangen dateerden voor een deel uit zijn leven als scheeparts op de Java China Japanlijn; aan boord moest je kiezen trekken, en kleine operaties uitvoeren. Wat ook uit de spreekkamer geleend werd, was pleister: vader had rollen prachtig, sterk pleister dat hij kreeg van een patiënt die bij de Landmacht werkte. Dat pleister was erg handig voor klusjes. Als vader het opeens nodig had, ging hij onder aan de trap staan en riep naar boven dat de rol pleister moest terugkomen. Ik was stomverbaasd dat hij niet uit zijn vel sprong.

Hoe was het op school? Tja, ik kwam halverwege het eerste jaar en moest bijspijkeren, dat lukte wel. In de tweede klas ging ik naar het gymnasium. Wiskunde kregen we van mijnheer Rutgers, een brave, lange doodsaaie man. We kregen ook Latijn en Oude Geschiedenis en beide vond ik saai. Onze leraar was mijnheer Aerts, Wim, later hoogleraar Nieuwgrieks in Groningen waar Pram en ik hem hebben opgezocht. Zijn schoonzusje, Georgine Weertman, zat bij mij in de klas en wij werden vriendinnen. Georgine woonde in de Johannes Verhulststraat, en haar ouders waren bekeerlingen, maar niet vroom. Ze hielden van muziek en van alles dat naar de gotiek neigde, het huis had ook een eigen sfeer met spinet en klavecimbel met pseudo-gotische stoelen die mijnheer Weertman zelf had gemaakt. De familie was verfijnd, op het tuttige af – ‘even mijn Beethoventje afspelen’, zei de oudere zuster van Georgine dan. Zij was beroepsmusicus en speelde ook orgel. Op zondag bespeelde ze vaak het orgel in de schuilkerk Ons’ Lieve Heer op Solder en Georgine en ik hanteerden dan de blaasbalgen. Ons Lieve Heer op Solder was het kerkje voor kunstenaars en aanverwanten en Lambert Simon was er de priester.

Van muziek had ik eigenlijk weinig idee. Vader speelde wel piano en moeder wat viool, de Winterreise van Schubert stond op het program. Ik was ooit naar muziekschool gestuurd, een paar straten verder, om solfège te leren. Op mijnheer Stam werd ik direct verliefd en niet zo’n beetje ook. Hij woonde in de Wijttenbachstraat waar ik altijd overstapte van lijn negen op lijn drie, op weg naar Fons Vitae, en dan moest ik altijd even kijken of ik hem niet zag. Op de hoek van de Linnaeusstraat waar ik overstapte, was een winkel met advertenties voor het raam waarvan ik intuïtief wist dat moeder niet mocht weten dat ik ze las. De winkel verkocht rubberwaren, en er lag een rubber spuit in de etalage; de advertenties waren, denk ik, voor massage. Die spuit was er om de vagina na de coïtus schoon te spuiten, en verder zullen er wel condooms en pessaria verkocht zijn. Aan de overkant, op de hoek van het Oosterpark, was een winkel van Jamin, (Jamin doet er jam in), en die verkocht voor elf cent een ijsje tussen twee wafeltjes.

Ik ging na school vaak met Georgine mee naar huis en bleef er dan logeren – wij samen in het tweepersoonsbed, alles in het keurige. Als ik het tijd vond weer eens naar de Linnaeusparkweg af te zakken, dan ging ik. Het was onduidelijk of ze me hadden gemist, echt gemist, bedoel ik. Als er ’s avonds gegeten werd aan de lange tafel in de achterkamer, zat vader aan het hoofd en dan gingen hij alle kinderen af: Geert zit in het gesticht (in de opleiding tot jezuïet, bedoelde hij). Joost is in dienst. Annemie is thuis, Hildegard ook. En zo ging dat door.

Een grote attractie van het logeren bij de familie Weertman was de aanwezigheid van Wim Aerts die getrouwd was met Laura, de oudste zuster van Georgine. Ik maakte mezelf wijs dat ik verliefd op hem was. Een leraar toen was een halve god; de afstand was groot. En nu was hij in dezelfde kamer als ik! Ik was gefascineerd door hem en dat zou ik tot en met de tweede klas blijven.

De school ging me redelijk goed af – ik werkte hard. Geschiedenis was stampen en dan liep ik op en neer op de grote zolderkamer waar Liesbeth en ik het rode tweepersoonsbed deelden. Mijnheer Schreiner was de gedroomde geschiedenisleraar (geen Oude Geschiedenis) ; hij kon net zo prachtig en begeesterd koningen en keizers nadoen als professor Jacques Presser die ik later zo zou bewonderen; hij beende door de klas, en wij hielden de adem in. En zo ging ik over naar de tweede klas. Ik bleef Latijn saai vinden; ons schoolboek heette Lingua Latina en Georgine heeft me vorig jaar toen we elkaar spraken, eraan herinnerd dat ik altijd zei Lingua Latina Stinkerdestina.

De schoolboeken waren een financieel probleem. Geschiedenis leerden we uit De Wereld in wording. Ik had de eerste helft en Liesbeth de tweede helft. We hadden het boek dus in tweeën gedeeld. In de tweede klas was de angst voor het communisme nog altijd levensgroot – Stalin stierf, en ik zat bij mijn broer Geert op schoot (althans dat denk ik, maar dat kan haast niet, want hij zat in het klooster oftewel het gesticht, zoals mijn vader zei.) Hoe ook, ik was opgelucht dat Stalin dood was en zei: nu wordt alles beter. Nee hoor, zei mijn grote broer (of was het Joost die al 20 was?): er komt weer een nieuwe Stalin. Wat een klap!

Ik kreeg weer eens nierbekkenontsteking . Ik genas en het was die maanden voor de zomervakantie. Ik wilde niet meer naar school, en dat vonden mijn ouders prima. Ik ging helpen bij Wim Aerts en zijn vrouw die op een kleine etage op de Overtoom woonden. Ik ging wandelen met het kindje, Patrick, en Faustina, nu hoogleraar Arabisch, was op komst. Ik vond Laura niet zo aardig, maar dacht ik in haar man een soort tweede vader te vinden. Ik speelde dat ook wel een beetje uit, maar hij was te slim om dat niet door te hebben. Ik wilde er wel heel erg een goede beurt maken, maar op een dag brak ik de tuit van een dure theepot, en ik zette hem weg zonder het te durven zeggen. Een week later vroeg Aerts of ik die theepot beschadigd had, en ik zei nee. Wat was ik toch bang uit de gratie te raken.

Ik bleef zitten in de tweede klas. Dat was de prijs die ik betaalde voor die drie maanden spijbelen die de school dus zomaar had geaccepteerd. Tsja, vader was de dokter die in de krant schreef, een katholiek notabele die al eens een dochter (Annemie) van school had gehaald met een conflict. Hoe dan ook, er werd niet naar getaald. Als zittenblijver had je bij de andere kinderen die een jaartje jonger waren, voor korte tijd een goede positie en toen er een klassevertegenwoordigster gekozen moest worden, werden Marijke Vroom en ik kandidaat gesteld. Marijke was van de warenhuis-Vroom-familie en haar ouders hadden een mooi huis op de goudkust. Ik wilde niet op mezelf stemmen, dat leek me onfatsoenlijk, en ik dacht ook dat Marijke het beter zou doen dan ik; ik voelde dat ik geen aanleg om leiding te geven, al was het maar zo’n klein beetje. En zo bleek het ook; ik kan hulpen in de huishouding jaren en jaren houden, maar daar houdt het leiding geven mee op.

In die tweede klas blonk ik bepaald niet uit in wiskunde. Ach, natuurlijk niet, meisjes kunnen dat niet. Maar vader dacht daar anders over, wat wonderlijk was, want vaak was hij ouderwets in zijn ideeën over meisjes. Vader wilde dat ik bijles nam bij mijnheer Rutgers in de Breestraat, terwijl ik juist bij hem die onvoldoendes had opgelopen. Er kwam dus niks van terecht, maar vader vroeg me wel of die dure lessen ook zin hadden. Hij kon dat geld slecht opbrengen. Ik durfde niet te zeggen dat ik nog steeds geen snars van wiskunde begreep, en ik vond de volgende oplossing: ik ging naar de rectrix en zei dat ik naar de MMS ging. Dat aanvaarde ze. Thuis vertelde ik het aan vader die zei: en dat heb je niet met mijn overlegd? Ik was stomverbaasd. Vader die iets wilde overleggen! Vaders dicteerden meestal, dus je zorgde wel dat hij zo min mogelijk over je te zeggen had, je zorgde wel dat je snel zelfstandig werd en je eigen plan kon trekken. Maar ik ging naar de MMS waar ik plezier had in het onderwijs in de vreemde talen waar ik makkelijk hoge cijfers voor haalde. Voor Lidwien die mijn klasgenoot was, was dat niet zo leuk – ze werkte hard en het kostte haar moeite een zeven te halen. Dat heeft heel lang tussen ons in gestaan. Eigenlijk tot kortgeleden.

Maar er waren dingen waar ik niets van begreep- ik wist bijvoorbeeld niet wat de spelregels voor kastie waren. Ik kende geen populaire liedjes. En ik durfde dat niet te vragen. Wij hadden gymnastiek van juffrouw de Boer, de Boerin geheten, een grote stoere vrouw die op een motor reed, en in alles heel ferm was. Ik had een hekel aan die lessen: ik was klein en niet sportief, en werd altijd als laatste gekozen. Ik spijbelde zoveel als ik kon. In de winter was dat heel makkelijk: ik had lange verkoudheden die in de nacht doorgingen – tegenwoordig hebben we daar codeïne voor – en ik hoestte dat mijn longen, voor mijn gevoel, uit elkaar scheurden. Dat kon wel een week of langer duren. De Boerin zei dan: ga jij maar de gymzaal uit, aan jou heb ik niets. Thuis werd dat zeer vermakelijk gevonden, want sport was niks, en in zwemles werd ook niet voorzien, hoewel vader in Azië graag zwom en dook. Maar goed, tegen de hoest was niks te doen. Een keer, toen ik al dagen hoestte dat het een aard had, zei vader: neem een glas suikerwater mee naar bed.

Tessel 1955

Ik werd veertien jaar oud, en ging op fietsvakantie, helemaal alleen, tot naar Limburg toe. Ik had een wit bloesje en een groen broekje aan, en vond mezelf erg volwassen. Mijn weg leidde door Brabant – ging ik bij mijn grootouders logeren? Ik weet het niet meer. Wel fietste ik door Mierlo waar op de winkels de naam van zowel man als vrouw stond. Ik hoopte heel erg dat als ik iets kocht, mensen me met juffrouw zouden aanspreken, maar iedereen zie jij of gij. Maar okay, ik fietste voort, en kwam in Limburg bij een familie Oosterbaan aan, de man was een collega van vader. Ik werd gewezen waar de logeerkamer was en kwam aan het eten in mijn korte broekje. Dokter Oosterbaan zei: je hoort niet aan tafel te komen in je broekje, ga eerst maar een rok aantrekken. Tsja, daar had ik dus zelf aan moeten denken. Het was een nuttige les

Ik werd vijftien jaar in Brussel. Hoezo Brussel? Dat kwam door een uitwisselingsprogramma, waarbij Belgische kinderen naar Nederland kwamen om Nederlands te leren en omgekeerd Nederlandse kinderen naar België gingen om Frans te leren. Zo kwam Georges de Bilderling, kind van een Russische vader en een Chinese moeder naar Amsterdam. Zijn moeder was een klein vrouwtje met ik de Chinese restaurants in de Binnen Bantammerbuurt afliep om daar achter de winkel voorraden te kopen. Die ruiten achter het eethuis waren vreselijk smerig. Maar spannend vond ik het wel. In de zomer van 1955 was het mijn beurt naar Brussel te gaan. Het was in de zomervakantie, en het huis was in de buurt van de Cinquantenaire, en ik maar denken: wat zou Cinquantenaire toch betekenen. Nu weet ik het wel: vijftig jaar na de breuk met Nederland. De familie De Bilderling liet me behoorlijk aan mijn lot over, ik zwierf maar wat rond, en hing maar een beetje op een bank voor het paleis van koning Boudewijn en ik fantaseerde hoe hij naar buiten zou komen en verliefd op mij zou worden. Monsieur De Bilderling had een broer waar ik prompt verliefd op werd; hij maakte me duidelijk dat ik het Frans veel te rap sprak; en dat was ook zo; ik wilde indruk op de familie maken. Waarom eigenlijk? Die mensen deden niets voor mij, maar dat was gewoon – op de Linnaeusparkweg deed ook niemand iets voor George. Je redde jezelf.

Hoe ook, op een dag kreeg ik een brief. Ik typ hem in zijn geheel over, want hij is mijn vader ten voeten uit.

‘Lieve Tessel

De familie hier heeft mij verzekerd, dat Je morgen vijftien jaar oud wordt, en voor zover ik als vader daarover kan oordelen, heb je het er tot nu toe heel goed afgebracht. In het boek der Spreuken staat: “Drie dingen zijn moeilijk te begrijpen, en het vierde is ten enenmale duister: de weg van de vis door het water, de weg van de slang onder de grond, de weg van de vogel door de lucht, en de weg van de jongeling door de jeugd.” Dat slaat natuurlijk niet alleen op de jongeling, maar ook op het meisje. Daar komt bij dat jonge mensen hun moeilijkheden meestal niet onder woorden kunnen brengen, omdat zij al die dingen voor het eerst meemaken en er dus geen naam aan weten te geven. Daar staat echter tegenover dat zij juist op die manier tot zelfstandigheid komen, omdat zij hun moeilijkheden oplossen. Het is dus van een kant wel mooi als iemand een volkomen onbezorgde jeugd heeft, maar van de andere kant is iemand die nooit een probleem of een moeilijkheid heeft gehad, later geen bruikbaar mens in het leven, en vooral niet voor andere mensen. Ik bedoel met dit alles te zeggen, dat al vind Jij zelf nogal eens dat je het moeilijk hebt, ik vind dat je het heel goed maakt. Toen ik de eerste tien malen een bevalling moest leiden, zonder voldoende oefeningen in een Brabants dorp, heb ik natuurlijk bij wijze van spreken water en bloed gezweten, maar de arts die dit niet doet, leert het nooit. Dus: Je maakt het heel goed en Je zult het volgende jaar nog beter maken. Je moet goed begrijpen, dat wij, mensen, niet heel wel weten wat goed voor ons is, en wij moeten daarom aanvaarden met geduld en overgave wat ons kan overkomen. ‘

De brief besluit met de mededeling dat ik naar Amsterdam moet terugkeren om het huishouden te leiden; ik denk dat moeder met de kleintjes op vakantie was, en vader deed niet aan vakantie: ’Gij zijt nodig, en wees nu maar blij dat Je zoo goed te gebruiken bent.’ Tenslotte schrijft vader dat moeder en hij iedere dag voor ons bidden, dat God je mag helpen en zegenen; ‘dat doet de Hemelse Vader toch wel, maar Hij wil dat wij het vragen.’

De eerste zin in die brief wat typisch vader: hij wist nooit wanneer wie geboren was en coquetteerde daar ook wat mee. Zoals je ziet, nam Reinier die gewoonte al jong over – hij wenst me ook geluk met mijn 16e/17e/18everjaardag vanuit het buitenhuisje van moeder in Bergharen:

Ik heb stukken van die brief van vader altijd onthouden; ik werd aangesproken als een denkend mens, men name die passage over die bevallingen, dat vond ik een blijk van vertrouwen in mijn begrip van die dingen. En ik begreep dat ook. Ik had vader bekaf van een bevalling zien thuiskomen. Tot zijn zestigste deed hij bevallingen aan huis, en dat was zwaar, met name toen er een kind doodgeboren werd. Dan komt natuurlijk het overdenken: was deze dood voorbestemd, of had de dokter het anders moeten doen. Een dood kind werd soms nog tijdens de bevalling gedoopt (in tijd van nood mag en moet eenieder dopen, zegt de catechismus), maar ging eigenlijk naar de hel, zoals ik op school had geleerd. Ik vroeg de vader, stom van mij, hij werd rood en verlegen en zei iets van: hou erover op. Gelijk had hij.

Annemie & Geert, 1955

1955 was ook het jaar waarin Annemie en Philo trouwden. Annemie had moeders trouwjurk aan, die was ingenomen, want ze was broodmager. Grootmoeder Van Wel had een jurk aan van paarse moiré (zijde met een glans die van kleur veranderd als je de stof beweegt) met een zwart kanten jurk er overheen. Grootvader had het kalotje op dat grootmoeder voor hem had gemaakt. Het was een zeer apart stel, mag je wel zeggen. Liesbeth en Hildegard waren bruidsmeisjes, en ik had een roze jurk aan met volants – een lelijke jurk. Ik had van Philo op wie ik zeer gesteld was, een cameraatje gekregen. Daarmee maakte ik op de bruiloft fotootjes die ik nog steeds heb.

Grootmoeder en grootvader Van Wel bij het huwelijk van Annemie en Philo

Vader en moeder bij het huwelijk van Annemie en Philo