Tessels verhaar – 3 – Grootouders en vakantie

 

Over het geheel genomen herinner ik me de eerste schooljaren als een fijne tijd; ik speelde heel veel buiten, er was altijd wat om te doen, zoals fikkie stoken in de tuin met bij elkaar geraapte takken, dat vond moeder ook best, vadertje en moedertje (en doktertje ) spelen onder de veranda waar veel pissebedden zaten, en lezen.

Aan poppen deed ik eigenlijk niet; ik speelde niet veel met Liesbeth, die had een tweede thuis gevonden bij de oma en opa van haar buurmeisje Pia Harmsen; die opa en oma noemden we piadropa en piadroma, want verbaal waren we al snel vaardig, Annemie voorop. Naast piadropa en piadroma woonde een zeer stevige mevrouw in het basement, en als de bal voor haar voordeur rolde, waarvoor hij eerst een trapje af moest, rukte ze de deur open en pikte ze de bal. Ze moest wel een NSB-er zijn, dachten wij.

Vanaf dat ik klein kind was had ik ontzettende behoefte aan ruimte voor mezelf. We hadden een grote wc – als je doortrok dacht je dat de duivel uit het gat zou springen, eng, hoor! Ik fantaseerde hoe ik daar een kamertje van kon maken. Idem dito met de kelderkast, waar we in gezet werden als we stout waren geweest en waar geen elektriciteit in was. Als ik met vader door de stad reed en je in de betere buurten kwam met serres en torenachtige kamertjes, keek ik daar altijd verlangend naar.

Op de veranda naast de keuken was een buitenkast, en daar klom ik dan met een poppenservies en vriendinnetje bovenop nadat we van moeder heel royaal wat suiker hadden gekregen voor onze ‘thee’. En ik reed graag mee met vader als hij patiënten ging bezoeken. In de straat was maar één auto, het Fiatje dat een achterruit had van mica, een gelig imitatieglas. De kinderen uit de straat zeiden altijd: dokter, dokter, mogen we mee, en dan laadde hij in. Meestal wachtte ik in de auto tot vader zijn visite had gedaan, een enkele keer mocht ik mee naar binnen. Sommige patiënten woonden driehoog, in kazernewoningen zoals in de Vrolikstraat die ik zo droevig vond. Mijn favoriete patiënten waren mijnheer de mevrouw de Koning op het Linnaeushof. Als ik van school naar huis liep en mijnheer de Koning zag me, dan plukte hij een roos af die ik mee mocht nemen. Ik heb nog altijd rozen in huis. Even verderop, tegenover de schooldeur, woonde een oud echtpaar waarvan de man kanker had. Moeder vertelde me later dat vader het barbituraat-slaapmiddel op het nachtkastje gezet had en had gezegd: u weet zelf wel hoe en wanneer u het moet gebruiken.

BV Schlichting

Moeder, van 1906, was trots op haar vermogen die BV Schlichting te runnen, wat haar lukte door de handigheid, de zuinigheid, het improvisatievermogen en originaliteit die deels van nature en deels aangeleerd was. Haar afkeer van burgerlijkheid speelde daarin heftig mee – die was gevormd door haar ouders die beïnvloed waren door jonkheer Pieter van der Meer de Walcheren en zijn kring. Mijn Helmondse grootouders waren kinderen uit die typische mengeling van de heel kleine middenstand en het arbeidersmilieu. Ze leerden Van der Meer in 1921 kennen toen die kunstredacteur werd van het weekblad De Nieuwe Eeuw, een katholiek weekblad waarvan hij de kunstrubriek ging doen. Het blad werd gedrukt in Helmond. Van der Meer de Walcheren was een katholieke bekeerling; hij was in Parijs gedoopt in bijzijn van de filosoof Jacques Maritain. Rondom Maritain die een grote carrière in Princeton (VS) zou maken, cirkelden de grote Franse kunstenaars van die tijd, en de Nederlander Otto van Rees die weer door Van der Meer naar de doopvont werd geleid. Van der Meer en zijn vrouw, de beeldend kunstenaar Catherine gingen in 1921 in Helmond wonen – een wonderlijke keus.
Vriend Pieter en zijn vrouw keerden zich tegen de burgerlijke zelfgenoegzaamheid van het katholieke bolwerk in opmars. De katholieken hadden nu eigen scholen, ziekenhuizen en bonden en waren goed vertegenwoordigd in de politiek, maar wat geloofden ze eigenlijk? Was het niet allemaal conventie, hun geloof? Ging je niet naar de kerk om zien en gezien te worden? Waar was de mystiek, de vervoering, het radicale geloven? Niet in het bestuur van de katholieke sportbond, daar kon je wel zeker van zijn. Dat had thuis wellicht een Mariabeeld uit de Mariabeeldenfabriek. Maar mystiek, moderne, gepassioneerde kerkelijke kunst, nee, daar was niet zoveel gevoel voor. Het was een brug te ver – burgerlijk en bourgeois dat de katholieken vormden. was voorlopig goed genoeg voor het achtergebleven volksdeel

De afkeer van burgerlijkheid maakte dat moeder zonder gêne op het Waterlooplein na de oorlog goederen uit de dump kocht zodat we onder Canadese legerdekens sliepen en van bordjes van de marine aten. Maar moedergevoel had ze niet veel. Ze was ze een koekenbakker met zieke kinderen; je moest naar bed op tweehoog, en ook als je weer 37 graden had, moest je nog een hele dag in bed of thuisblijven. Moeder kwam even kijken als ze ’s morgens de ronde deed over de slaapkamers en als je geluk had, dacht ze bij het warm eten eraan een kind naar boven te sturen met een bord inmiddels koude stamppot of zo. Vader kwam alleen als je doodziek was. Op school vertelde je zulke dingen natuurlijk niet. Daar bloeide de moederadoratie. Je kreeg bij verjaardagen van moeder of met moederdag versjes mee die je thuis moest opzeggen. Ze waren (krakkemikkig) door de juf of de zuster geschreven, en dat voor 18 november 1946 toen moeder veertig werd, luidde zo:

Lieve moeder

Ik kom gauw bij U lieve Moe
Want ik ben zo blij
Ik geef u eerst een pakkerdje
En tien kusjes er nog bij

Dat is omdat u jarig bent,
Mijn allerliefste Moe.
En als ik strakjes bidden ga
Dan (weet) ik wel wat ik doe

Ik vraag het lieve Jezuskind
Wat mij zo graag iets geeft
Maar Goddelijk Kindje
Dat mijn Moe nog lang
Gelukkig leeft.

Uw vierde dochtertje;
Tessel

Het versje stond op een gevouwen blad beplakt met een plaatje van een bloemenmand en een blij kind, en ik die hoekjes stond geschreven

18 november
is de dag die
men zeker nooit
Vergeten mag.

En zo zijn er nog een paar.

Abcoude

Moeder was ook vindingrijk wat betreft vakanties. Niemand in de straat ging op vakantie in de late jaren veertig. Reinier was een baby, maar moeder had een advertentie gezet voor een onderkomen voor een groot gezin, en zo kwamen we in de snikhete zomer van 1947 terecht in een landarbeidershuisje bij een boerderij in Abcoude. Richard en ik zijn laatst nog op die boerderij geweest. Beneden was een kamer waar moeder sliep, wij sliepen op zolder. Naast het huisje was een dijk, die langs het riviertje De Winkel liep. Of was het een kanaaltje? Hoe ook, moeder had er geen zicht op en liet ons rustig bij en in dat water spelen, met anderhalve wrakke kano. Daar leerde ik mezelf zo’n beetje zwemmen, tussen de stengels van de waterlelies. Het was natuurlijk raar dat moeder er op vertrouwde dat dat allemaal goed ging, want het was uiterst gevaarlijk.

Ik was in Abcoude erg gelukkig. Ik klom in de wilgen die op het dijkje stonden en natuurlijk maakten we daar een hut in waarin we dachten te slapen – maar als het donker werd, ging je toch maar gauw naar het huisje, zo comfortabel was het niet. Op zondag gingen we in Abcoude naar de kerk – een grote tippel. Maar fietsen hadden misschien alleen de oudsten. Vader bleef werken, want een waarnemer was duur en wat moest hij zonderboeken en bloknoot? n Hij kwam dan we met zijn oude Fiatje of Volkswagentje, tweedehands en overgenomen van Zaalberg dekens waar oom Wim Schrandt, getrouwd met Riek Schlichting, directeur van was. Toen de boerendochter van Nellestyn dat aan de overkant van het kanaaltje lag, trouwde, mocht ik bruidsmeisje zijn. De communiejurk werd gewassen en gesteven, strikken in de vlechten en mooi lopen. De communiejurk was natuurlijk wit, het was dunne katoen, met nopjes en oprijgsels. Als je klein was, werd de stof rondom opgevouwen, en vastgezet en als je was gegroeid, werd die naad weer losgemaakt. Zo zaten er wel een stuk of vijf oprijgsels in. Ik kon hem in de zesde klas nog aan. Door het jaar heen waren er wel processies rond de Martelaren van Gorcum waar rondom eigen grond lag zodat daar het processieverbod niet gold. Je mocht als bruidje in de processie meelopen, maar moeder had niet altijd zin de jurk te wassen, te stijven en vooral te strijken. Dat was ook een rotklus.

Moeder zat rustig in het huisje dat we Nellie’s Vreugd hadden gedoopt (we hadden het erop geschilderd) en ontving daar ook wel vriendinnen uit Amsterdam zoals tante Riet de Graaf-Mengelberg wier man Chris goed fout was geweest in de oorlog. Oom Chris mocht niet meer publiceren, na de oorlog, maar er moest brood op de plank. Hij schreef dus recensies die vader dan instuurde naar, ik denk, de Volkskrant. Hij ondertekende dan met Dirk Graft (vader was geboren in West-Graftdijk, in de gemeente De Rijp) en oom Chris kreeg het geld. Zo waren mijn ouders ook – iedereen was welkom, mits niet al te burgerlijk en bij voorkeur katholiek. Herman Menco (niet katholiek), Pakistani, de Duitse neven, de nichtjes uit Bovenkarspel die in Amsterdam hun beroepsopleiding deden, een gevluchte Hongaar, een 14-jarige Belg (George de Bilderling). Wie niet katholiek was, ‘die kieperen we in het doopvont’, zoals moeder zei. Vader had gevaren op de Java-China-Japanlijn, en was kosmopolitisch geworden; moeder zag wel neer op de kleine burgerij (kleinburgerlijk, bhah)

Hoe managede moeder dit circus? Door de kinderen tegen elkaar uit te spelen. Joost, geef Richard eens een pak slaag, Annemie, zeg dat Tessel naar bed gaat. En ga straks naar boven om te zien of ze erin ligt. En dat deed Annemie dan en ze zei ze: heb je je handen gewassen? En dan rook ze eraan en wist dat je met je kutje had gespeeld. En dan kreeg je op je kop. Daarom zijn de Schlichting-kinderen los zand voor elkaar. Je kon niet solidair zijn met elkaar tegen het ouderlijk gezag, en dat was soms echt nodig. Moeder bevorderde ook niet dat je elkaar met liefde of zelfs maar respect behandelde. Sommigen hadden een bijnaam: Hildegard heette de muilezel, omdat ze stug en gesloten was. Leo was een hondje, Richard met zijn blonde krullenbol Suikerbeest. Anton heette Anton Wanton Asbak Wasbak Soepkip Druiloor Schlichting, bij genaamd Kippetje. En god mag weten waarom. En Maria heette Solletje. En nu doet zich de vraag voor hoe vaak ik ga opschrijven dat moeder me kwetste, lelijk deed, onrechtvaardig was, enzovoort. Ik denk dat ik daarin maat moet houden. Moeder wilde helemaal geen twaalf kinderen en vader geloofde in de Voorzienigheid en was heetgebakerd, om het maar eens subtiel uit te drukken. Moeder had eigenlijk aan twee kinderen genoeg, vertelde ze me later. Maar ja…’vader wilde zo graag.’ En de Voorzienigheid zou wel zorgen. En ik was heel lang totaal niet ongelukkig.

Ik was met zeven jaar een spichtig ding, Liesbeth ook. We kregen genoeg te eten, maar veel was op rantsoen, we aten soms magere kaas (11 cent per ons bij Simon de Wit) en op brood verder spekvet (lekker!), kliekjes van de vorige dag, appelstroop en dat was het wel. We dronken veel melk, kregen pap toe (havermout, lekker, griesmeel, vies, zelfs met bessensap, lammetjespap, walgelijk, karnemelkspap, met stroop, lekker. Je moest met je arm om je bord heen een letter met stroop in je pap schrijven en die was geheim, van de jongen op wie je was. Natuurlijk zag je buur die direct en die lachte je uit: haha, ze is op Kees. Officieel en officieus mocht je op niemand zijn – nog veel te klein en misschien had je wel vieze gedachten. Er waren ook veel grappen. ‘Wat vader zegt, is altijd slecht.’ En ‘Wat moeder doet is altijd goed.’ Vader die goed kon meppen (met de leren slipper uit Japan op je billen, au, au en nog eens au) heette ook wel de IJzeren Hand, en als we erg goed geluimd waren, gooiden we onder het avondeten de servetten naar hem toe. Heel lang aten we van de restanten van een chique Engels servies, waar niet genoeg borden van waren; en de schalen waren van hotelzilver, door grootmoeder ooit op een veiling gekocht. Ik vond ze onuitsprekelijk deftig en wilde ze later ook. Het dekservet, ouderwets woord voor tafelkleed, was blauw geruit. Toen er eens een nieuw kleed nodig was, naaide of borduurde moeder met DMC (borduurzijde) twaalf luiers aan elkaar. Op bed hadden we rood geblokte lakens – moeder had die stof op de kop getikte getikt en textiel was schaars. Toen Liesbeth later op school Duitse literatuurles had en de docente vertelde dat ‘rot karierte’ beddengoed iets was van arme mensen, zei Liesbeth: ‘Wij hebben thuis rood geblokte lakens.’ De docente verlegen.

Bijspijkeren

Liesbeth en ik waren spichtig en moesten naar Helmond om bijgespijkerd te worden. De grootouders woonden in een groot huis (ze hadden het heel goed, dankzij vastgoed, en strategische grondaankoop) dat van de familie Van Wesselman tot Helmond was geweest. Veel bezoek kregen ze niet – ze waren, denk ik, de familie wat ontgroeid. We gingen ernaartoe met de trein die geen ruiten had; de eerste jaren na de oorlog was er nauwelijks glas te koop, ook in de wederopbouw werd in plaats van een ruit triplex met een gaatje erin gezet.

Grootmoeder maakte iedere dag gebonden soep, aardappelen, vlees, groenten – dat vlees was een forse hap rosbief of rollade – en echte pudding toe. Het bord moest leeg. Ik plofte. Toen zag ik op de straat – de chique Eikendreef – een verhuisauto staan met AMSTERDAM erop. Ik ging naar de chauffeur, en ja, hij ging nog die dag naar Amsterdam. Ik zei: ‘Grootmoeder, ik ga naar huis’, en ik pakte mijn spulletjes bij elkaar en vertrok. Grootmoeder was een weinig toegankelijke vrouw; ze schilderde, ze kon een huis ontwerpen (Dennenlust in Mierlo-Hout) op de hectare bosgrond met saaie dennen die de grootouders daar hadden. Ze kon trouwens ook heerlijk koken; aan talenten geen gebrek. De menselijke omgang was niet echt warm, hoewel grootvader wat losser was dan grootmoeder. Grootvader had dan ook een minnares. Tegen moeder zei hij ooit: ’Je moeder is een ijskoningin in bed.’ Het verhaal gaat ook dat ze al vele pretendenten had afgewezen, wat onze zeer ambitieuze grootvader noopte tot een ijverige hofmakerij. Hij overwon, maar was hij happy? Vraag, vraag.

Volgens mij gingen we naar de grootouders midden in het schooljaar; van de leerplicht trokken mijn ouders zich niet veel aan. Mijn vader was progressief, in zijn kring dan, hij vond dat je Partij van Arbeid moest stemmen, eigenlijk, maar toch eerst nog even Katholieke Volkspartij zolang de katholieken nog geen volkomen geaccepteerde medeburgers waren, en dat waren ze inderdaad niet. Toch mopperde hij soms voor zich heen: leerplicht is volksverdomming. Mijn ouders hielden ook zonder enig bezwaar kinderen thuis van school om in het huishouden te helpen. Vader was de huisarts van de nonnen van Clara Fey en op de middelbare school gerespecteerd als de geleerde dokter die in de krant schreef. Behalve door zuster Rosalie (de Big) die er iets tegen had dat vader kwam mopperen over de bejegening van Annemie.

Was ik een ongelukkig kind? Nee, ik speelde dat het een lust was, las op mijn bed eindeloos sprookjes te lezen, was vriendin met de dochters van de bakker op de hoek (Kwakman, uw broodvakman!) en ik was godsdienstig. Ik was een jaar of zeven toen op school een plaatje werd uitgeloofd voor het kind dat de hele maand iedere morgen naar de kerk was geweest. Ik stond om zes uur op, dekte de tafel en ging naar de kerk, door dat donkere gangetje dat van de Linnaeusparkweg naar de Linnaeushof liep. Een keer kwam me een man tegemoet die me in mijn kruis greep, en ik rende weg. Ik vertelde het aan moeder die er niet op inging. Alles wat riekte naar seks moest verzwegen worden, ook als het kind toch gevaar liep.

Wat ik prettig vond: mee patiënten rijden, een enkele keer mocht ik mee naar binnen. In de omgang was vader nogal afstandelijk, op een grote afstand, geleerd, rustig, na het eten vertrok hij naar boven om artikelen te schrijven, met de hand, en dan mocht ik wel mee als hij die naar De Volkskrant of De Tijd (ook een katholiek dagblad) bracht; zo verdiende hij wat bij. Hij was in sommige opzichten niet zuinig: hij kocht boeken, ook een antieke bijbel die ik erfde en heb laten veilen toen ik na de scheiding van Thijs krap zat. Een heel enkele keer ging ik met vader mee naar de universiteitsbibliotheek op de Singel en dan dronken we een kop koffie in wat toen Brasserie de Bock heette, het café/de lunchroom op de hoek van de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Daar was ook de Volkskrant, dat taartpuntvormige gebouw. Daar brachten we kopij die vader geschreven had. Ondertussen werd ik op school goed in hoofdrekenen, maar ik stak mijn vinger niet meer op als ik razendsnel het antwoord weet van de som die de zuster op het schoolbord heeft opgegeven. Ik denk dat het voor de andere kinderen niet leuk is als ik zo bijdehand doe. Wat ik niet begrijp is een groen leren lijst met een stuk papier erin waarop staat welke vakken op welk uur worden gegeven. Dat papier heet Rooster der Lesuren, en ik spreek op zijn Frans uit: een lesure, twee lesuren. Opeen dag ontdek ik dat het les-uren zijn. Dat ik daar zo lang op het zitten turen zonder het te begrijpen.

En dan zie ik mijn eerste dode. Kapelaan Hermans krijgt een hartaanval, op de wc, en vader wordt erbij geroepen. Ik hoor de volgende dag wat er is gebeurd en lees dan inde krant dat hij in zijn slaap is gestorven, en ik zeg verontwaardigd: Maar het was op de wc! Jawel, zegt moeder, maar dat zet je niet in de krant. Met de klas gaan we de dode bekijken die opgebaard is vlak voor het altaar van H. H. H. Martelaren van Gorcum. Ik vind het wel bijzonder, dat de kinderen daar gewoon mee naar toe genomen worden. Ik vond het buitengewoon interessant.

Een keer in de week hebben we handwerken van zuster Antonella, een pienter vrouwtje die me absoluut niets kan bijbrengen. Hoe kom ik toch onhandvaardig? Wilde ik toen al geen huisvrouw worden? Ik weet het niet. Ik bewonderde vader: lezen en schrijven, dat leek me wel wat. Voor moeder was ik wel beducht: ze was vaak om onduidelijke reden boos, en dan pikte ze er een zwart schaap uit dat een pak slaag kreeg of in de donkere kelderkast moest zitten. Maar zo’n straf vergeet je als kind weer snel. Ik huppelde weer vrolijk naar school. Met de klasgenootjes kon ik het best vinden, en ik ging graag naar school. We spelen op het schoolplein Hans en Grietje, en hun huisje is een plekje op een schoolplein, met een hekje en een boom waar ons schoolplein over gaat naar dat van de jongensschool van mijnheer Ram.

De vakanties duren me te lang, zeker de kerstvakanties. Het is vaak slecht weer, maar fijn is logeren bij oom Chris en tante Riet de Graaf – dan spelen we de hele dag door mahjong. Maar toch verlang ik naar de regelmaat van het schoolleven. Af en toe krijg ik een flinke zeperd. Ik ging een keer met vader mee naar patiënten in Diemen, naar een zeer volks gezin zoals je dat in de Watergraafsmeer. niet aantrof. De mensen praatten plat, en in de kamer stond een Hooverwasmachientje met een mooi kleedje erover en een potje bloemen erop. Op het schoolplein zei ik tegen een meisje dat het bij die mensen in Diemen ’zo anders’ was. Dat had ik beter niet kunnen doen; in een mum van tijd bereikte het Diemense meisje dit bericht en ze timmerde erop los. Iedereen was solidair met haar. Dat spreekt. Ik had het verdiend. Er was, los van mijn verkeerde opmerking, natuurlijk ook wel een beetje jaloezie – dat heb ik veel later gehoord op een reünie van de school. Wij woonden in een vrij groot huis, al moest dat ook de spreekkamer en wachtkamer herbergen, en sliepen we met velen op de zolder. Het huis plaatste ons wat betreft de andere kinderen in een speciale positie, en dan had vader ook nog een auto en hij was de dokter. De positie van vader werd ook nog eens onderstreept door de verering die moeder, maar ook Annemie, koesterden: vader was niet alleen kalm en geleerd, maar schreef ook artikelen en boekjes en had invloedrijke vrienden en kennissen, zoals Joop Lücker, de hoofdredacteur van de Volkskrant, en de ex-minister Piet Witteman en zijn vrouw Cilia Andriessen. Claartje is haar nicht van. Een oom Cor Kropman was net als oom Piet lid van de Eerste Kamer- allemaal KVP natuurlijk – en stadsadvocaat.

De straat was mijn speelterrein. Ik was veel buiten, tolde wat ik superleuk vond, liep op stelten, speelde verstoppertje met de andere kinderen, en dieffie met verlos waar ik de spelregels niet van begreep. En je liep averij op: ik had in de straat ruzie met een overbuurmeisje dat ik graag mocht en waar ik respect voor had: Philomena Dekker, kortweg Philo . Ze was kwaad en zei: nou mag je niet op mijn partijtje komen. Een paar dagen later legden we het bij, maar ik mocht toch niet op het partijtje komen en dat deed zeer. Ik begreep er ook niks van: je legde het bij en zei sorry en dat was dat. Maar ik heb geleerd dat anderen hun grieven jarenlang koesteren

’s Avonds buiten spelen mocht niet, dat was niet gepast. Als het erg mooi weer was, mocht het wel, maar als vader dan in de opening van de voordeur verscheen, gingen we direct naar binnen. Bij het late avondlicht kon je dan nog wat lezen. Naar bed moest je ook als straf, zonder eten naar bed.
Op een keer was ik erg ziek; vader kwam zelfs kijken, wat een hele gebeurtenis was, en wist n iet wat hij ermee aan moest. De kinderarts kwam, de freule van de Hövell tot Westerflier en die was hartelijk. Ze zei: hoe gaat het me je, en ik zei: goed dokter. Ze antwoordde: dat hoef je niet te zeggen. Het ging niet goed. Ik had stomatitis, een mondschimmel die hoge koorts met zich meebrengt. Ik kreeg antibiotica, denk ik. En werd beter, maar niet nadat ik om bananen had gevraagd als het enige eten dat ik door de mond kon krijgen. Dat was een beetje gespeeld, natuurlijk. Bananen waren een ongehoorde luxe.

Wat las ik? Leuk was Flipje van Tiel, een boek je dat je kreeg van opgespaarde punten bij de jams van de Betuwe. En vergeet vooral niet Arretje Nof, de held van onder meer Arretje Nof en de Zwijgzee. NOF stond voor Nederlandsche Olie Fabrieken oftewel Calvé en de boekjes waren in de jaren twintig geïllustreerd in de Art Deco-stijl. Calvé maakte voor het drukwerk en de reclame gebruik van grote namen als Jan Toorop. Arretje was mysteries en oosters, en was toch leuker dan Flipje. Ik verslond ze. Mijn ouders hadden ons onwillekeurig hun smaak bijgebracht: Toorop maakte mooiere plaatjes dan de tekenaar van Flipje. Maar ik had al vroeg een hekel aan Toorops religieuze kunst. Met je verjaardag (die werd nog nagevierd als de school weer openging) mocht je trakteren en met een lekkertje alle zusters en juffen langs, en dan kreeg je een plaatje. Sommige onderwijzeressen gaven je dan een Maria van Toorop, een lijzige vrouw met een sluier, in het zwart. Ik wilde een plaatje met wolkje van goud en een beeldig Jezusje in het wit.

Het communistische gevaar

Intussen was ik een jaar of acht. Het communistische gevaar was het grote probleem van die naoorlogse jaren, en de angst was levensgroot. Ik hoorde als jong kind, ik zat in de vijfde klas, hoe in Griekenland na de Duitse capitulatie een burgeroorlog was ontstaan waarin de communisten kinderen ontvoerden en in kampen heropvoedden. Dat had juffrouw Rijswijk, ons verteld en ik durfde echt niet meer onze straat uit omdat ik bang was voor de communisten die om de hoek konden staan en mee me konden nemen. Op een avond kon ik niet slapen, en ik ging naar beneden waar ik bij vader op schoot ging zitten en over Griekenland vertelde. De volgende dag is hij naar school gegaan en hij heeft de onderwijzeres gevraagd ons niet zo bang te maken. Stalin, het Rode Gevaar, het was allemaal doodeng en de Russen zouden kunnen binnenvallen. De BB (Bescherming Bevolking) gaf tips hoe je te beschermen als de bom viel; nog steeds loeien die sirenes op de eerste maandag van de maand. Het atoomgevaar en de wapenwedloop waren de werkelijkheid waarmee we leefden – toen was geluk nog heel gewoon, maar de angst ook.

De Volkskrant en De Tijd kwamen iedere dag en de post, meen ik, zelfs nog tweemaal per dag. Als vader aan het hoofd van de tafel zat of in voorkamer op een fauteuiltje, zei hij: kinderen, krijgt mij het avondblad, en dan renden we naar de voordeur.

Ik las iedere dag de Volkskrant – ik las hem dus op mijn manier. Ik las heel ijverig de Avonturen van Pa Pinkelman en tante Pollewop door Godfried Bomans. Pa Pinkelman werd geschreven in opdracht van de hoofdredacteur Lücker die af en toe bij ons thuis kwam koffiedrinken en pianospelen. Iedereen was dol op Pa Pinkelman: hij woont een beetje buiten de stad, in een huisje met zeven deurtjes. Elke dag van de week gaat hij door een ander deurtje naar binnen of naar buiten (al naar het uitkomt); en nu staat híj, met zijn bolhoed op, in het deurtje Maandag een sigaar te roken, hoewel het eigenlijk Woensdag is. Maar zo is hij nu eenmaal, niet wijs, vaak op avontuur met zijn vrouw tante Pollewop die hem geheel adoreerde, met Kareltje Flens, rijk en verwend, en Flop was het zwarte nikkertje (zoals Thijs nog wist: met alleen een broekje aan) dat iedereen te slim af was. Een aantal politici van katholieken huize – Bomans bazige vader was zelf zo’n politicus – kwamen er ook in voor, maar dat weet ik nu pas. Naar mijn beste weten, was er ook op de zaterdagavond een hoorspel over Pa Pinkelman, en daarbij aten we dan het snoeprantsoen van die week op. Suiker en dus snoep was lang op de bon, en bij Bensdorp, waar we het al over hadden, vies en goedkoop. Maar in het archief Beeld en Geluid kan ik het hoorspel niet terugvinden; wel weet ik dat veel radio-opnamen verdwenen zijn. Edoch, wat blijkt: Liesbeth frist mijn geheugen op. We luisterden naar Negen Heit de Klok, van Alexander Pola en Jan de Cler (die later geneeskunde ging studeren en de huisarts werd van grootvader Jop en oma.) Negen Heit de klok was rooms (in naam, Pola was joods en de vader van Clairy Polak). Het werd niet in de vasten uitgezonden, want dan moest je je vervelen) en bevatte sketches en liedjes en actualiteiten.

Een echte radio hadden we niet. Of ja, er was een oud geval dat we slecht op gang kregen. Nederland kende de radiodistributie: er hing dan een bruingrijze fraaie speaker aan de wand met een schakelaar voor Hilversum 1 en 2 en radio Luxemburg en BBC 4, met klassieke muziek. De schakelaar stond eigenlijk altijd op de BBC. De ouders bepaalden wat aan stond, en dat was Bach, Mozart enzovoort.

Indië

Las ik in de krant dat er Indië oorlog was? Ik leerde het in ieder geval op school. In iedere klas op school zaten wel zusjes van militairen die uitgezonden waren, en die kregen van de zuster of de juf een luchtpostvel en dan moesten ze aan hun broer een brief schrijven. Natuurlijk moesten we ook bidden voor onze jongens in Indië, dat spreekt. Naast mij in de schoolbank, zat Annemarie Verberne. Haar boer Piet vocht in Indië. Op een kwade dag belde pastoor Nolet van de H.H. Martelaren naar mijn moeder: mevrouw, legt u de zwarte jas en de zwarte hoed van de dokter klaar, we gaan naar de familie Verberne. Nu, daar liepen dan die twee grijzende mannen over de Linnaeusparkweg, waar aan het einde de familie Verberne woonde. Piet was gesneuveld. Natuurlijk werd dat de volgende zondag in de kerk gemeld en werd er gebeden voor Piets zielenrust en zijn familie.

In de klas werd er niet over gesproken, Annemarie bleef een paar dagen weg en zat toen weer naast mij. Ik ging naar mijn vader in de spreekkamer en zie: waarom mogen die Indonesiërs hun land niet zelf hebben? Vader werd rood, van boosheid of verlegenheid, dat weet ik niet. Hij zei: daar zijn die mensen nog niet rijp voor. Ik wist niks terug te zeggen, maar vond de idioot. In de kerk kwam na 1950 een plakkaat te hangen met de namen van de gesneuvelden; het hangt er nog. Ik ben laatst in die kerk geweest en vond het mooi dat het niet was weggehaald. De geschiedenis uitwissen, daar ben ik niet zo voor.

Vierde klas

In de vierde klas was zuster Johanna Helena de onderwijzeres. In de wandeling heette ze Schele Leen. Ze was braaf en saai, en alles ging traag, dus we lazen de leesboekjes van school al gauw uit, terwijl het kind dat moest voorlezen pas op bladzijde 13 was. Als je dan zelf moest voorlezen, had je geen idee op welke bladzij de klas officieel was. Was het ook in deze tijd – ik weet het niet precies meer – dat ik eens met moeder bij Tante Riet de Graaf was, waar ik een meisje zag, ze heette Annemarie Prins (was het de latere actrice van die naam?) waar ik direct een klik mee had. Kort en goed: ik was op slag verliefd. Dat meisje had zoiets merkwaardigs, ze was frêle, en ze keek naar me met een blik van fascinatie. Ik wist dat we samen slechte dingen zouden doen, en dat trok me onweerstaanbaar aan. Natuurlijk vroeg ik moeder of ze een keer mocht komen spelen, en moeder zei resoluut, wat me nooit eerder was overkomen: ’Geen sprake van.’ Iedereen mocht altijd komen. Ja, dom was ze niet, dat moedertje van mij.

Voor vermaak was er niet zoveel te doen. In de zomer kon je naar het Plashuis, aan het IJsselmeer, en af en toe stuurde je moeder je met een hulpje naar Artis (in de kwartjesmaand, september) of naar het Tropenmuseum waar een tableau was met plantages en inlanders die je met een knopje en een lichtje aan het werk kon zetten. Helaas allemaal vernietigd door de updaters. Ondertussen was het wel vreselijk ver lopen, van de Linnaeusparkweg naar Tropenmuseum of Artis. De tram was te duur. Moeder ging voor een elf cent op en neer naar de stad – en zorgde dus dat ze binnen drie kwartier na dat de kaart was gestempeld, weer op de tram zat. Ze ging vaak naar het Waterlooplein. Wat een zuinigheid allemaal: men zei dat vadertje Drees zuinig was, maar die ging met de kinderen wandelen en dan altijd wat gebruiken, en kocht alle boeken die hij wilde lezen. Dat kon bij ons echt niet – de wasvrouw, mevrouw Mrozek, verdween – ik denk dat ze te oud werd. En een man met een bakfiets bracht nu iedere week voor twee gulden vijftig een Hooverwasmachientje met een schoep die de was deed ronddraaien en een wringer; daar moesten we moeder bij helpen. Om etenstijd werd de Hoover weer opgehaald.

Een gedenkwaardig jaar

In 1950 verscheen er een bijzondere film, Cheaper by the dozen (Voordeliger per dozijn); hij was gemaakt naar het gelijknamige boek van Frank Gilbreth die vader was van twaalf kinderen. Gilbreth was een organisatieconsultant die met zijn vrouw het gezin runde als een company. Het boek werd een feuilleton in De Volkskrant, maar beter nog: gezinnen met twaalf kinderen (trouwboekje mee) mochten gratis naar die film in de Cineac in de Reguliersbreestraat, en we kregen daar, weer gratis, een flesje cola. Cola!! Dat hadden we nog nooit gedronken. De film had vele komische effecten, net als het feuilleton. Ik zag vader fronsen als hij de krant las; mocht er wel zo gelachen worden met de kinderzegen die toch van God kwam? Eigenlijk niet.

Het was een gedenkwaardig jaar. In de eerste plaats (katholieken zeiden altijd: op de eerste plaats, maar dat mocht van Joop van Tijn als eindredacteur absoluut niet) was eind december de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesia een feit. In 1950 kwam de stroom repatrianten naar Nederland op gang; sommigen waren blank en al eerder in Nederland geweest of er geboren. Een aantal van hen had familie in Nederland waar ze terecht konden. Anderen werden in een pension geplaatst. Indo’s met relaties of vermogen hoefde ook niet door de overheid verzorgd te worden. Maar velen waren ‘kleine bungs’- kleine broers. Sommige hadden het Nederlands paspoort met enige list en bedrog verworven; men had zich altijd gespiegeld aan de ‘hogere’ blanken en wilde dus niets weten van de Indonesische nationalisten en aanhangers van de Republik. Dat was wederzijds. Niet alle kleine bungs spraken Nederlands. De meisjes die bij ons in de klas kwamen, waren natuurlijk katholiek en naar mijn beste weten repten de juf of de zuster nooit van hun huidskleur. Omdat ze katholiek waren, waren ze gelijk aan alle anderen in de klas. Omdat de zusters van het Arme Kind Jezus ook in de missie in Indonesië werkten, waren we met tien jaar al gepokt en gemazeld in de missie-kunde, en we wisten dat gekleurde kinderen niets minder waren dan wij – mits katholiek natuurlijk.

Het Kleuterblaadje, Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie), De Engelbewaarder, schoolfilms, foto’s van ziekenhuizen door de zusters beheerd, het was dagelijkse kost. Ons was al heel vroeg bijgebracht dat de katholieke kerk een universele kerk was, en het doel was iedereen ter wereld katholiek te maken. Vandaar ook de vreugde toen in Indonesië voor het eerst een Javaan bisschop werd. Dat hij zich verzette tegen de Katholieke Volkspartij die het ontstaan van de Republik Indonesia op volle kracht tegenwerkt, wisten wij schoolkinderen niet. De zusters en juffen trouwens evenmin, naar ik aannam. Maar verder: we waren we toch echt op weg naar de wereldheerschappij die we nastreefden.

Tot de Indo’s die bij ons op school zaten, hoorde Lucie van der Werff. Ze woonde tegenover ons, met haar moeder, op een etage. Haar moeder was een kleine Javaanse vrouw, die in sarong/kabaja liep en rijst kookte op een petroleumstelletje. Lucie was zeer intelligent en goed op school. Ik heb haar een paar jaar geleden gebeld nadat ik via via had gehoord dat ze met een Delftse hoogleraar (Aarts) was getrouwd. Ze had het druk en geen zin in herinneringen ophalen.

Het jaar 1950 was op school ook bijzonder vanwege het Heilig Jaar. De Sint-Pieter opent in een Heilig Jaar (eens in de 25 jaar) een grote deur die anders dicht blijft. Omdat dat zo fijn en feestelijk was, moesten we op school alsmaar plaatjes van kelken en monstransen geel kleuren (in een monstrans wordt de hostie bewaard als er geen liturgie is.) Pius XII, de paus die in de oorlog weinig tot niks voor de joden deed, werd in dat jaar – in mijn geheugen – nog meer vereerd dan anders. O, de paus werkt zo hard; om drie uur ’s nachts is het licht op zijn werkkamer nog aan. De paus begon draaiende zonnen te zien, dat was weer een bijzonder teken van uitverkorenheid. Kapelaan Epping die vaak bij mijn vader kwam schaken, vroeg – vader realiseerde zich niet dat ik in de kamer was – aan vader: dokter, de paus ziet draaiende zonnen, wat vindt u daarvan. Vader zei: nu kun je wel zien dat hij gaga is.

Ik zei niks, laat staan op school, maar onthield het wel. We werden dus voor de gek gehouden, met al dat vervelende kelken kleuren. Ik bleef natuurlijk verder gelovig. Dat spreekt. Maar sprak het jaar 1950 me aan? Ik vind tussen mijn papieren wederom een blad uit een ruitjesschrift met daarop wederom een gouden (geel ingekleurde) kelk, een engel en een biddend kindje, met als tekst “Gezinsweek 21-28 oktober 1951. Bij de opening van het gouden jaar van de parochie van de H.H. Martelaren van Gorkum”

Interessanter vond ik de strip over de superdetective Nick Knatterton die in 1950 voor het eerst in Duitsland verscheen. De Volkskrant nam hem over. Ik las hem gretig; Richard kan nog hele zinnen eruit citeren. Of zoals de steenrijke Maharadja tegen Nick zei nadat die een miljoenendiefstal had opgelost: ik zal u slechts de helft van uw loon betalen; de rest zoudt ge toch maar uitgeven.

Verder mochten we geen strips lezen wat ik erg raar vond. De enige die toegestaan was, was die over Don Bosco, de Italiaanse heilige uit de 19e eeuw die zwerfjongeren aan zich bond, ze werk bezorgde, met de werkgevers onderhandelde en de favoriete patroon werd van instellingen voor de arbeidersjeugd. Verder lazen we het leven van de heilige Tarcisius. Dat was een braaf knaapje die op staat liep en zag hoe slechte jongens een priester aanvielen die met het Heilig Oliesel tegen zijn borst gedrukt – hij hield dan zijn hand over zijn hart en alle mannen namen hun hoed af en iedere katholiek sloeg een kruis – naar een stervende ging die het Laatste Sacrament ontving, biechtte en dan opgelucht dood kon gaan. Tarcisius werd door de slechte jongens doodgeknuppeld. Het verhaal van Maria Goretti was ook mooi. Ze werd in haar woonkeuken aangerand en gewurgd omdat ze de seks weigerde. Ook heilig. In mijn missaal (boek waarmee je, Peer, in de kerk, de liturgie volgt) dat ik met twaalf jaar van de grootouders kreeg, staan er nog veel meer. Lucia werd de ogen uitgestoken, Stefanus gestenigd, Sebastiaan met pijlen doorboord, we griezelden en genoten. Veel ervan kende ik al, die had ik op school al geleerd of elders gelezen. Nu zouden ze er op zijn minst zes luizenmoeders op afsturen. Wil je er nog wat lezen? Mail me dan even. Het missaal ligt naar mijn pc. Ik las die verhalen ook graag onder de Heilige Mis, want die vond ik maar saai, net als de preek.

Wij vrouwen zaten altijd links vooraan, voor het beeld van de heilig Maria, op de eerste bank. Als moeder een kind had gekregen, ging ze bij de eerstvolgende ongesteldheid altijd een keer extra voor dat beeld bidden; dan werd je gereinigd. Immers, een kind was het gevolg van seks, en seks was onrein, dus ziel en lichaam moesten nu worden schoongemaakt. Het waren oeroude vormen van bijgeloof, zoals je ze nog steeds op vele plekken van de wereld vindt. Het katholicisme is doordrenkt van heel oude mythen en veel zeer heidens. Ook wij meisjes zaten in de bank vlak voor Maria en verveelden ons dapper. We vielen wel op – moeder was wel eens in Italië geweest en had daar gezien hoe de vrouwen een zwarte mantilla droegen. Wij kregen ook zo’n ding. Daarmee zaten we in de kerk. Dat was natuurlijk dom; we leerden ons anders te voelen (hoger) dan de kleine burgerij die in de kerk zat. We waren apart. Toen ik een jaar of zestien was, bezwoer ik mezelf gewoon burgerlijk te worden en bij C & A te kopen.

Als de Heilige Mis klaar was, namen we zo spoedig mogelijk de benen. Maar helaas, in de bank achter ons zaten de dames Molenschot die muziekles gaven. In de wandeling heette ze de Molendrollen. Als wij opstonden, sisten ze: zou je niet nog even zes weesgegroetjes bidden voor je lieve vader en moeder, en jawel, wij weer op de knieën. Ik kreeg van een van de twee dames pianoles en bracht er niks van terecht. De ergste Molendrol zong in de grote zaal van het Tropenmuseum een keer het Ave Maria van Mozart. Ik kan het niet horen zonder aan haar gigantische gestalte op het podium herinnerd te worden.

Vader zat rechts van het middenpad met de jongens en in mijn kerkboekjes en later missaal, dat ik op mijn twaalfde van mij grootouders kreeg toen ik gevormd werd (daarover later meer)stonden talloze biografietjes van heiligen die ik verslond: uitgestoken ogen, levend verbrand, afgehakte handen, neergesabeld, gestorven aan de pest omdat de aanstaande heilige pestlijders verpleegde tegen beter weten in, een koningin die aan tuberculose stierf omdat ze de armen tb-lijders opnam, de heilige die op het ijs iets brak en twaalf jaren lang een voorbeeldige zieke was die voor het raam lag en de voorbijgangers sterkten in hun geloof in de Eeuwigheid. Ik smulde ervan. Mijn missaal ligt open naast me. Bel me maar even, dan vertel ik nog even verder.

Vormsel

Ik werd elf jaar in Denenkamp. Moeder had daar via een advertentie van boeren (katholiek) een grote schuur had kunnen lenen voor de hele vakantie. De boeren heette Mulders, en ze hadden een Oost-Europese vluchtelinge als hulp voor het bedrijf. Dat was een sterk, flink meisje die na het middageten even buiten op de bank ging zitten en haar ogen sloot – een hazenslaapje, leerde ik toen dat dat heette. Ook bij deze boerderij sliepen we op zolder, en ik sliep met Leo in één bed. Ik was half in slaap toen ik voelde dat hij mijn broekje probeerde naar beneden te trekken. Ik vond dat vervelend en zei het de volgende dag tegen moeder. Daar had ik later de pest over in. Kort voor mijn verjaardag op de boerderij vroeg moeder wat ik wilde hebben. Ik wist niets te verzinnen. Toen kwam moeder aan met een plastic toilettasje en met het meisjesboek Onder moeders vleugels dat ik stuk gelezen heb. Ik was geroerd dat ze zich zoveel moeite had gegeven. Maar was die vakantie leuk? Nee, het was allemaal een beetje saai, spelen op dat boerenerf, soms mee op de kar, soms mee naar het dorp. Wel was het zo dat ik daar een tweedehands fiets kreeg, een exemplaar met een dubbele stang. In Amsterdam reed ik er dapper mee rond, en ik deed twee dingen die verboden waren: met de fiets de stoep op rijden en zonder toestemming over de Middenweg (daar vond moeder het te druk!) vlakbij het oude Ajax, fietsen. Onderweg brak de fiets in tweeën. Ik sleepte hem mee naar huis en zei het, maar niemand had tijd om er op te letten of te vragen hoe dat gekomen was – dus ik kwam er goed vanaf. Maar ik had geen fiets meer. En het duurde lag voor ik weer een fiets kreeg. Dat was vervelend.

Vormsel

In de zesde en laatste klas van de lagere school gapte ik telkens geld uit moeders portemonnee om bij de firma Schep ijs te kopen of ijsbonbonbons bij de snoepwinkel. De familie Schep was patiënt van vader en vader stond op goede voet met mevrouw Schep. Ik was als de dood dat die dat tegen vader zou zeggen. Maar dat gebeurde niet. Wel werd op school duidelijk dat ik geld had dat niet van mij was – ik verzon een smoes: dat ik het onder de deurmat had horen rinkelen en toen had opgeraapt. De zuster en de juf geloofden het niet en rapporteerden het aan vader; ik kreeg een geweldig pak op mijn billen en moest gaan biechten: toen ik dat gedaan had, was ik ontzettend blij en opgelucht: nu waren vader en moeder weer goed op mij!

In de zesde klas deed je ook het Vormsel, vaak tegelijk met de Plechtige Heilige Communie. Dan kwam de bisschop, zalfde je, gaf je een kruisje op je kop, en dan was er een soort feest – de grootouders kwamen en gaven mij een missaal dat ik nog steeds heb. De fotograaf Van Paridon maakte een foto van zijn nichtje en mij en zette die in de etalage van zijn winkel. Jullie zien de foto; het is die met het witte jurkje.