Tessels verhaal 1 – Eerste herinneringen

Heb ik een eerste jeugdherinnering? Ja, ik denk van wel. Het is 1942, misschien begin 1943, en ik mocht naar de bewaarschool op het Linnaeushof in Amsterdam Watergraafsmeer, waar ook de kleuterschool bij hoorde. Die twee scholen zaten in een complex waar ook de lagere school en de mulo in hoorden. Alles bij elkaar heette het Clara Fey; dat was een van de oprichters van de Zusters van het Arme Kind Jezus; ze werd op 5 mei 2018 zalig verklaard.

In de wandeling heette het complex de Clara Kak. Waarom? Ik weet het niet. Ik mocht naar de bewaarschool zo gauw ik zindelijk was, dus daar lag het niet aan. Op de bewaarschool was zuster Jeroena de baas, en ze was allerliefst. Ze stond ’s morgens aan de deur om je te verwelkomen, zij stond van mij uit gezien links, en rechts in de hal stond op een tafeltje een zwart hoofdje van een heidenkindje dat begon te knikken als je door het gleufje geld gooide. Maar ik had geen geld. Ik probeerde wel of ik met een tikje het hoofdje kon laten bewegen, maar dat durfde ik niet echt.

Bij zuster Jeroena was veel speelgoed, veel meer dan thuis. Daar was in de oorlogsjaren – het eten was duur, de mensen verarmden, op den duur was alles op de bon – meer afgegaan dan bijgekomen; er was na verloop van tijd ook in de winkels vermoedelijk geen nieuw speelgoed meer te koop. Op de bewaarschool was je goed bezig, geleid door de vriendelijke, maar ferme hand van de zuster. In het gymzaaltje moesten we netjes lopen op het oranje geverfde ovaal op de vloer. Niet de voeten ernaast! Dat op de streep lopen leek me erg gewichtig; nu deed ik gymnastiek, waar ik mijn zes oudere broers en zusjes misschien al over had horen spreken. Ook was er een evenwichtsbalkje; ook dat was spannend. Ik kon het!

Ik vraag me nu opeens af wie me bracht en haalde, naar en van school. Personenauto’s waren er, lijkt me, in 1942 niet meer in de straat, behalve misschien die van mijn vader, omdat hij dokter was. De benzine was in ieder geval meteen na de capitulatie op de bon gegaan. Dus oversteken moet geen probleem geweest zijn. Maar mijn moeder kennende die erg op veiligheid gebrand was, zal ik wel aan de hand van een broer of zusje naar school gegaan zijn. Dat betekent de Linnaeusparkweg oversteken, dan door het poortje waarboven appartementen gebouwd waren, en langs de schutting waar de Hipsekrib achter lag, door een soort lange brandgang naar de Linnaeushof. De Hipsekrib (officieel de Linnaeusdwarsstraat) bestond uit arbeiderswoningen, die nu hip en yup zijn. Mijn moeder bracht me nooit; dat deed geen enkele moeder. Ze wist waar de school was, welzeker, want ze had met vader op het Linnaeushof gewoond, in een van de herenhuizen achter de kerk. Ik ben in het voorjaar 2018 met Richard in dat huis geweest o, wat een prachtig licht had dat.

Hipsekrib (2019)

Moeder had me natuurlijk naar school kunnen laten brengen door de dienstbode; dat was een Volendamse die Aaltje heette.  Ze kwam met bus, pont en tram, met haar zuster die Neeltje heette. De meisjes kwamen uit een groot gezin, waar veel van de dochters naar grootmoeder Aal genoemd waren. Ze heetten dan ook Aal, Alida, Aaltje, Alina, enzovoort. Aaltje vond dat moeder raar, rommelig speelgoed voor ons had laten maken door de timmerman – simpele blokken van groot formaat. Aaltje wilde ze opstoken in de kolenkachel net toen moeder binnenkwam. Aaltje bracht me niet naar school; dat zou in die buurt ook heel raar geweest zijn.
De meeste mensen hoorden tot wat je toen de kleine burgerij noemde: ze waren ambtenaar, of werkten in een winkel en enkelen zaten in het onderwijs. Een dienstbode hadden ze niet; moeder had het druk in 1944 – negen kinderen en de huisartsenpraktijk aan huis. Dan was het geen dikdoenerij als je een dienstbode had. Of zelfs twee.

Ik ging in september 1944 naar de kleuterschool, nadat ik op 31 juli vier jaar was geworden. Het was de maand van Dolle Dinsdag; op 5 september ging het gerucht dat de bevrijding nabij was. Mensen begonnen feest te vieren. Ik herinner me er niets van. Maar wel van een paar andere gebeurtenissen in mijn leven: ik kreeg difterie, dus keelpijn, koorts, benauwdheid – een levensgevaarlijke ziekte als er geen penicilline is; die was wel ontwikkeld door de Britse arts Alexander Fleming, maar nog niet in de Nederlandse apotheek beland. De bezetting schopte natuurlijk alles in de war. Difterie is heel besmettelijk, dus ik werd opgenomen in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, en in een glazen isoleerkamertje gelegd; de jongen in het volgende hokje smeerde zijn poep op de ramen tussen onze chambres séparées, en ik vond dat vies, maar ook onbegrijpelijk. Dat je zoiets durfde, en wilde durven! Ik zag hem later wel eens op straat; hij was heel lang en veel ouder dan ik; daar durfde ik niet zomaar tegen te praten. Als je me nu vraagt in welke maand ik in het ziekenhuis lag, ik zou het niet weten. Wat ik nog wel weet, is dat ik van vader en moeder blokken kreeg die aan een kant open waren, en beplakt waren met gekleurd papier. Toen ik weer naar huis ging, moesten de blokken achterblijven; ze zouden worden verbrand, want ze waren besmet. Eenmaal thuis, vertelde moeder later, zei ik dat ik niet meer zelf kon eten en gevoerd wilde worden; moeder zei nee. De zusters hadden me verwend.

Van 17 tot 25 september 1944 werd tussen Duitsers en geallieerden op Nederlands grondgebied gevochten. Direct aan het begin riep de Nederlandse regering in Londen (waar ze naar toe was gevlucht met het staatshoofd, koningin Wilhelmina) de spoorwegen op te staken. Zo zouden de Duitse aanvoerlijnen afgesloten worden. De verwachting was dat de geallieerden de grote rivieren zouden oversteken en zouden winnen, en dat daarmee de staking voorbij zou zijn. Maar het liep anders. De geallieerden bevrijdden delen van het gebied bezuiden de rivieren. Toen moesten ze zich terugtrekken. Arnhem was gebombardeerd, en de bewoners moesten evacueren. Naar je kon verwachten, zouden de treinen weer gaan rijden, maar de regering in Londen dacht daar anders over. In het Noorden ging de spoorwegstaking door. Dat laatste was voor de bewoners van de grotere en grote steden een ramp. De mijnen in Limburg konden sowieso geen kolen meer leveren, want de bezetter blokkeerde iedere communicatie tussen noord en zuid. De energie raakte op. Vanaf 9 oktober 1944 was er geen tram meer in Amsterdam, tot in juni 1945; de bussen stopten ook. Pas in augustus 1945 ging er weer een bus rijden, de ponten voeren tot in april 1945, daarna kwam er een pontonbrug voor de voetgangers. Fietsers waren er niet meer; de bezetters eisten de fiets op. ‘Eerst mijn fiets terug’ was lang de leus als het ging om contact met de Duitsers na de oorlog. Vervoer van mensen, eten en brandstof werd al snel een probleem. Er was alleen nog de binnenvaart, maar die was tot eind november verboden door de bezetter. Daarna waren de schippers bang dat hun bedrijven in beslag genomen zouden worden, en kort dáárna was de binnenvaart onmogelijk wegens de vorst. Het werd bovendien extreem koud; de hongerwinter kwam eraan.

Hongerwinter

Wat merkte ik echt zelf van de hongerwinter? Nogal wat. Mijn zes oudere broers en zusjes, Geert, Joost, Annemie, Hildegard, Thomas en Liesbeth waren geëvacueerd – Geert en Joost in Nieuwe Niedorp waar ze niet konden wennen, Hildegard en Liesbeth bij de familie Elders-Borst in Bovenkarspel en Thomas en Annemie bij het echtpaar Koster, ook in Bovenkarspel, oftewel in Boventappe – waarom we dat zo noemden, weet ik niet. Oom Jan Elders was een aangetrouwde neef van vader, tante Jo was vaders volle nicht. Oom Jan en tante Jo in Bovenkarspel waren bijzondere mensen. Hij was de burgemeester en zij runde een heel ingewikkeld huishouden. Een deel van de geschiedenis van dit gezin is op internet te vinden in Huize Elastiek oftewel etothe fourth.com. Want het toch niet zo grote huis herbergde behalve familie een joods gezin van drie mensen, ook nog een onderduiker. Jan en Jo zaten stevig in het verzet, en hebben postuum in juni 2017 de Yad Vashem (De Rechtvaardigen onder de Volkeren) onderscheiding van de staat Israël gekregen. Oom Jan kwam met de politie (de politie had nog een auto) af en toe naar Amsterdam en bracht dan bijvoorbeeld aardappelen – hij was de zoon van een tuinder en had connecties. Ik vond het als vierjarige wel een potje eng als hij met de politie binnen kwam. Ik ging dan gauw onder tafel zitten. In Huize Elastiek lees ik dat mijn ouders wel naar Bovenkarspel reden (volgens Liesbeth [en het dagboek] op de fiets) om de kinderen op te zoeken. En eten te halen, neem ik aan. Oom Piet Koster (geen familie van de Schlichtings) ) was directeur van de groenteveiling, dus ook hij had wel relaties die mijn ouders konden helpen.

In de hongerwinter was ik thuis dus het oudste kind. Moeder meende dat ik dat een heel mooie positie vond, en dat was misschien ook wel zo. Daar weet ik niets van. Wel was het zo dat naarmate de winter vorderde het huis kouder en donkerder werd. In 1942 was Leo geboren en in 1943 Richard, en ik sliep dus met de kleintjes op tweehoog. Dat was een donkere tocht naar beneden om een plas te doen. Of was er een po?

Leo

Wat ik ook nog weet is hoe vader en moeder in de voorkamer op de Linnaeusparkweg 61 kookten op een kacheltje, samen met oom Jacques en tante Toos Stolte. De Stoltes waren geen familie, maar ze waren close met vader en moeder. Oom Jacques was internist in het OLVG. Oom Jacques en vader kregen bloed uit het slachthuis (vroeger dacht ik: uit het OLVG en dat vond ik wel eng) en maakten bloedworst. Het kacheltje was de enige warmtebron in het huis op de Parkweg. Het moet toen erg koud geweest zijn in dat huis dat toch al op het noorden lag. Maar moeder was handig met het vermaken van kleren. En er waren de dekens van de grote kinderen die nu goed van pas kwamen, denk ik zo.

Maar omdat er geen elektriciteit was, kon er niet stof gezogen worden. In de slaapkamer van vader en moeder lag Chinese matting, een heel goedkope vloerbedekking die iets artistiekerigs had. Na de bezetting, toen het weer warm werd, sprongen de vlooien er bij massa’s uit; het was een langdurige plaag. Ik denk dat vader ze ook wel opliep bij patiënten; moeder had er nogal eens last van en wij nooit. Omdat er in de hongerwinter geen brandstof was, ging de scholen dicht – o, wat saai was dat.

Als vierjarige wist ik natuurlijk niet, dat ongeveer alles op de bon was – moeder of de hulp moest bij het boodschappen doen in de rij wachten in de hoop dat de suiker, koffie of meel of breiwol niet waren uitverkocht als ze eindelijk aan de beurt was, ik heb er haar nooit over gehoord. Mijn ouders klaagden nooit over de oorlog. Ik weet wel – Gerard van Westerloo hoorde het van een interviewee – dat vader soms zomaar bij patiënten naar binnen stapte en een brood op tafel legde. Ik denk zo dat vader met zijn netwerk ( een kleermaker, een kruidenier, een slijter waren patiënt) wel wat kon kopen op de zwarte markt. Ik weet nog wel hoe vader van de apotheek pure alcohol kreeg (dan moest je de apotheker wel lief aangekeken hebben) en daar water en de  essence bij deed, en dat op een bunsenbrandertje tot likeur op stookte.

Je kunt niet zeggen dat vader en moeder in het verzet zaten. Dat is overdreven, maar ze hielpen bijvoorbeeld wel Marius van Beek, beeldhouwer. Marius schreef bij vaders dood een stukje in het dagblad de Tijd. Het kwam neer op het volgende: Marius is ondergedoken en vader bezoekt hem en belooft dat moeder eten voor hem zal maken. De Tijd drukte het stukje niet af, want er had al een necrologie van vader in gestaan.

De hongerwinter was voor mijn ouders niet tragisch, wel dramatisch natuurlijk. Maar echt erg was iets anders. Vader kreeg longontsteking en werd in het OLVG opgenomen, op hoop van zegen. Penicilline was er immers niet en moeder beloofde God haar verdere leven iedere morgen naar de kerk te gaan als zijn leven gespaard bleef. God was goedertieren en verhoorde haar, en voor zover ik weet, wipte ze iedere ochtend de kerk binnen, met de hoofddoek om. Maar eerlijk gezegd denk ik dat ze het na een jaar of tien liet slobberen, en dat kon ook bijna niet anders met een huis vol grut.

En tot slot van dit relaas over de oorlogstijd: de echte vraag. Was ik gelukkig? Ja, dat was ik. Als je vier jaar bent, denk je dat wat je ouders doen de norm is van de hele wereld, ja, van de hele straat. Jop, toen jij vier was, zei je: als ik groot ben trouw ik met mama. Thijs zei: en ik dan? ‘Jij gaat in de schuur’, zei je. Als je vier bent, zet je de wereld naar je hand.

Wanneer begonnen mijn blaas- en nierbekkenontstekingen? Vroeg, dat weet ik wel. Ik zei dan tegen vader dat ik een donkere plas had, en zo vaak moest. Dat betekende: een keer of twintig in de nacht. Half uurtje slapen, hup, dr’uit, en naar beneden. Plassen, weer in bed, kriebel, kriebel. Dan moest ik plassen in een kom, en vader verhitte op het bunsenbrandertje mijn plas en verkleurde die dan (ik keek altijd mee) dan wisten we dat er een recept naar de apotheek moest. Wat kreeg ik dan? Ik herinner me salversan. Maar dat is eigenlijk een middel tegen de syfilis. Een derivaat ervan? Ik weet het niet.

Wat ik wel nog weet, is dat ik altijd een gebreid wollen overbroekje aan moest; dat was grijs en ik haatte het. Maar het moest. Als vader me op de stoep zag spelen, zei hij: til je rokje eens op. Had ik geen overbroekje aan, dan hup, naar binnen. Meisjes droegen nog geen lange broeken – dat was niet gepast. Onze vader, want die maakte in dezen de dienst uit, verbood ook kort haar voor meisjes. Mijn haar is dun en niet stevig: er kwamen dus altijd klitten in. Moeder had geen handigheid die dingen te ontwarren – dat ging met snelle, maar niet zo vaardige hand. Alleen Laura, een doktersdochter die van een dorp kwam en tijdelijk moeder hielp, wist er raad mee. Laura woonde bij ons omdat ze het leven in de grote stad moest leren kennen. Ze ging trouwen met de arts Matthieu Wertenbroek. Laura was allerliefst.

Veel van onze kleren waren gebreid; vaak kwam de wol uit uitgehaalde truien waar de kinderen uitgegroeid waren. Je kreeg dan een nieuwe trui in twee of drie verschillende kleuren. De gebreide kniekousen waren grijs. De lange kousen, die je later aan kreeg als je groter was, waren van katoen en poepbruin (licht), zogenaamd de huidskleur. Om je middel kreeg je een kousengordeltje waar vier bandjes aan zwengelden met een lusje. Je had rubberen bolletjes – dat bolletje moest in de kous en dan schoof je het lusje er overheen. Het geheel werd dan geacht vast te blijven zitten. Maar die rotbolletjes waren altijd kwijt, dus deed je het met een dubbeltje (een muntje van tien cent, Peer). Maar wie gaf jou een dubbeltje? Goeie vraag. Ik weet het niet meer. In de zomer moest je sokken aan, maar ingeweven elastiek kenden we niet – sokken zakten af, per definitie. Ook als je ze omsloeg.

Moeder en vader

De kleren die ik droeg waren vooral blauw – mijn nichtje Nita Elders (gedoopt als Johanna) was bij haar geboorte aan de Heilige Maria opgedragen en dus zou ze tot het Heilig Vormsel op haar twaalfde (waarover later meer) alleen blauw en wit dragen. Ze was een maatje groter dan ik, en zo werd ik aardig voorzien. Moeder, enig kind van een moeder die goed kon naaien, vond dat wel sneu voor me, maar ik gaf er niet om. Als je zag wat andere kinderen aan hadden, van die vreselijke jurkjes, gemaakt uit twee jurken waar andere meisjes uitgegroeid waren: de rok geel, het lijfje blauw en dan weer een kraagje van geel. En als de draagster snel groeide nog weer een reepje blauw aan de onderkant. Erg vlijtig gefabriekt, maar pover! Dan liever blauw. En af en toe iets anders er tussendoor, een lief jurkje in bruin met een stippelbloesje en een bolero. Of zelfs nog een jurk van echte wol; de stof werd door vader meegesmokkeld uit Antwerpen, en als plaid op de achterkant gedrapeerd om de douane te misleiden, want de import was streng gereguleerd. De stof was een mooi ruitje, met groen, blauw en rood; ik vond het prachtig. Er onder ging natuurlijk een wit kraagje, want anders was het niet verzorgd. Dat kraagje leek op een bloesje, maar was het niet. Zoveel bloesjes hadden we niet, want iedere maandag en donderdag

moesten we van verse kraagjes voorzien worden. In 1942 was Leo geboren en in 1943 Richard, dus moeder had de handen vol. Leo en Richard waren nummer acht en negen, later zouden nog Reinier, Anton en Maria volgen. Toen was het dozijn vol, en dat terwijl moeder twee kinderen eigenlijk genoeg had gevonden, zoals ze me ooit toevertrouwde.

Vader

Aan het einde van de lange, lange hongerwinter kwam het brood uit Zweden. Althans, zo is het verteld. Maar het was geen brood, het was meel en de Nederlandse bakkers maakten er heerlijk witbrood van. In die tijd ook werd er op de Linnaeusparkweg ingebroken: op het kabinet (de grote antieke kast) lag een en ander aan voedsel, ik vermoed van de voedseldroppings door de geallieerden in eind april 1945. De inbrekers hadden het eten gevonden, jatten een Perzisch tapijtje dat later in de portiek van de buren werd teruggevonden, en vooral moeders naaispullen. Naald en draad waren nauwelijks meer te koop; alleen in de zwarte handel ging het nog wel. Het was een ramp op poten; moeder moest uit oude broeken van vader toch iets voor de kleine jongens fabrieken. Ze kreeg van vrienden en kennissen een paar naainaalden cadeau.

Weet ik verder nog veel van de hongerwinter of de oorlogstijd? Van horen zeggen: hoe vader met buurlieden de bomen op de Linnaeusparkweg omhakte. Ik weet ook nog iets van de bevrijding: hoe vader me uit bed haalde om op het balkon van zijn spreekkamer te kijken naar iets in de straat – ik denk een vreugdevuur.

Na de hongerwinter en het voorjaar gingen de scholen weer open. De jongens gingen naar mijnheer Ram, het hoofd van de jongensschool. Alleen Richard ging niet naar de bewaarschool, voor zover ik weet. Richard was een probleem: tot hij een jaar of vier was, praatte hij niet. Hij zat altijd naast vader in de hoge stoel en als hij zijn zin niet kreeg, bonkte hij met zijn hoofd tegen de stoelleuning. Hij was onvoorstelbaar driftig en dan nam vader hem onder de arm en hield zijn hoofd onder de koude kraan. Ik vond dat erg naar. Richard zegt daar nu over: ‘Met de kop onder de koude kraan herinner ik mij wel. Vader deed dat vanuit het idee dat drift een lichamelijke toestand is, vertelde moeder mij later.’ Toen Richard naar de kleuterschool ging, speelde hij weinig met de andere kinderen – hij ging op de arm van zuster Bernadette die schoonmaakte, de school door. Hij gaf haar zoentjes en zij kwam aan vader vragen of die dat wel goed vond. Ja, hoor, heel best.

Veel problemen gaven de kinderen toen nog niet. Dat zou nog komen, ik vrees dat mijn ouders zich de kinderen hadden voorgesteld als wezens bij wie alles vanzelf ging, zoals bij hen alles vanzelf was gegaan. Althans zo leek het.

Vijf jaar

Ik werd vijf jaar. De grote kinderen waren terug in Amsterdam, de scholen begonnen weer. Ik weet nog dat we toen ik een jaar of vijf (of zes?) was, opeens op school allemaal een sinaasappel kregen. Een sinaasappel! Naar school betekende: voorzichtig de straat oversteken, door het poortje, dan door een smalle steeg met aan beide zijden schuttingen, dan de Linnaeushof over, langs de kerk van de Martelaren van Gorcum, naar de school die net als de kerk een schepping was van de architect Kropholler. Het was een mooie school, ik ben er later nog eens in geweest, de trappen waren van marmer, de leuningen van heel mooi hout. Achteraf gezien is het vreemd dat we zomaar op ons eigen houtje door die steeg mochten, ook bijvoorbeeld als ik ‘s morgens alleen om 7 uur naar de kerk ging. Ik was toen een jaar of acht en ging omdat je op school een heel mooi plaatje kreeg als je alle dagen van maand was geweest. Maar een hele maand, dat redde ik niet. Dus geen plaatje. En dat had ik wel verdiend, want ik had al die dagen dat ik wel ging, de ontbijttafel gedekt. Er heeft zich wel eens een man in dat steegje aan me opgedrongen, mij in het kruis tastend. Ik rende weg en vertelde het aan moeder die lauw reageerde; over zulke dingen hoorde je niet te praten. Trouwens, als je door het poortje was gegaan, voor je die brandgang inging, was er ook een schutting die het straatje de Hipsekrib afsloot. Het kwam uit op de Middenweg. Officieel heette het straatje anders, maar het bijzondere was dat het heel volks was, terwijl de meeste mensen in de Watergraafsmeer keurig burgerlijk waren. In de Hipsekrib woonde een bloemenman, Bogaarts, en Hildegard speelde met zijn kinderen. Ze nam het plat-Amsterdams over en moeder zei: je mag best met die kinderen spelen, maar je mag niet zo plat praten. Waarop Hildegard in onvervalst plat zei: ik praat helemaal niet plat.

Dat was dus leuk van moeder; wat betreft spelen werd er niet gekeken naar rang of stand. Maar het was niet zo dat moeder en vader met veel Watergraafsmeerders omgingen: Cordemeijer, onze buurman, en Gussenhoven waren juristen, dus dat ging best, mijnheer Bent was leraar klassieke talen aan het Ignatiuscollege en vader was buitengewoon op hem gesteld, de kapelaans Epping en Hermans waren ook graag geziene gasten, om mee te schaken bijvoorbeeld. Epping had vooruitstrevende denkbeelden en werd dus al rap overgeplaatst naar een dorpje in Noord-Holland. Zo ging dat.

Intussen was ik zes jaar en mocht ik naar de grote school. Ik kwam in de eerste klas bij juffrouw Vloemans, waar ik lezen leerde. Jammer dat niemand thuis me wat had aangereikt zodat ik al geoefend had, maar ja, je was nummertje 7 in een lange rij, en moeder was er de moeder niet naar om zich over zulke dingen te bekommeren. Ze zou ook niet een ouder kind aangezet hebben me alvast iets te leren, dat was haar stijl niet. Daar hebben we het later nog wel eens over.

Ik had op straat wel de door de Duitsers verboden V ’s gezien van Victorie, door de burgers in de oorlogstijd neergekalkt, en dacht telkens maar: ‘als je die V omkeert en je verbindt die twee poten met een stokje, dan heb je een A.’ Verder kwam ik niet. Toen ik eenmaal kon lezen, deed ik het ook graag. Ik las Puk en Muk, geschreven door Frans Fransen ofte wel frater Franciscus van Ostade, een frater van de Orde van Tilburg waar grootvader Van Wel de mulo had gedaan. Die gaf me een paar deeltjes cadeau. Puk en Muk was een serie met vele delen. Ik herlees nu Puk en Muk, deel 1. Puk en Muk zijn op reis, dat mag van Klaas Vaak voor wie ze een hele berg slaapzand hebben gevonden waarmee hij ’s avonds de kinderen in slaap brengt. Daar kan hij even mee toe, en Puk en Muk gaan voor het eerst ver van huis.

Klaas Vaak liet hen vertrekken

Tessel

Van je riemezjiemezje
Van je rollebol,
Klaas Vaak liet hen vertrekken,
Om niet te laat te komen,
Vertrokken ze maar vroeg.

Ze kwamen bij de hamster,
Van je riemezjiem
Van je rollebol
Ze kwamen bij de hamster
En schrokken zich vaak dood
Maar met wat mooi te praten,
Geraakten z’uit de nood.

Toen ging het naar de salemander,
Van je riemzjiemezjiem
Van je rollebol,
Die lelijke sinjeur
Die liet hen niet passeren.
Maar wees hen gauw de deur.

O, wat heb ik er als kind van genoten. Ik kreeg een deel cadeau van grootvader en grootmoeder, en voorin schreef grootvader: Voor ons goei Tessel. De braverd. Puk en Muk werden gedrukt in het R.K. Jongensweeshuis van de fraters van Tilburg dat ook De Engelbewaarder uitgaf. Als Klaas Vaak het zand had gestrooid, kon je nog net het volgende versje opzeggen.

’s Avonds voor ik slapen ga,
volgen mij veertien engeltjes na:

twee aan mijn linkerzij,
twee aan mijn rechterzij,

twee aan mijn hoofdeinde,
twee aan mijn voeteneinde,

twee die mij strekken,
twee die mij wekken,

twee die mij wijzen
naar ’s hemels paradijzen.

In een volgende klas kwam ik bij juffrouw Arnaud de Calavon, afkomstig van een Franse grafelijke familie die na de Franse Revolutie naar Nederland was gevlucht. Ik was dol op haar, erger nog, idolaat. Ze woonde helemaal aan het einde van het Galileïplantsoen en ik ben dit voorjaar nog eens naar haar huis gewandeld, en heb daar zwijgend voor de deur gestaan zoals ik dat als schoolkind ook al deed. Toen hoopte ik dat ze me zou zien en zou zeggen: Tessel, kom toch binnen.

Daarna kwamen we bij een Indische juf in de klas, o, wat was ze groot en lelijk. Ze zei: ik ben een katjang (Indo) maar we wisten niet wat dat was, een katjang. Ik had wel Arendsoog gelezen, maar niet De Katjangs van J. B. Schuil. Ik las iedere woensdagmiddag in de schoolbibliotheek een boek in de regel helemaal uit, veel nieuwe jeugdboeken waren er toen nog niet. In ieder geval hadden we daar geen geld voor.